Alle soorten › Vleermuizen › Gladneuzen › Bechsteins vleermuis

Bechsteins vleermuis | Myotis bechsteinii

Bechstein's bat | Murciélago Ratonero Forestal

Bechsteins vleermuis is een middelgrote Myotis met zeer lange oren, die in Europa en delen van Zuidwest-Azië leeft in oud en volgroeid loofbos. De soort gebruikt het hele jaar door boomholten, jaagt dicht bij de vegetatie en wisselt in de zomer om de paar dagen van verblijf. Zij is in grote delen van het areaal schaars, plaatselijk talrijk in Midden-Europa, en staat sinds 2016 als gevoelig op de mondiale Rode Lijst.

Van deze soort bestaat geen foto van een levend wild dier met een geschikte Creative Commons-licentie. Heb je er een die aan de regels voldoet? Stuur hem in.

Sporen

De verblijven liggen vooral in boomholten: spechtenholen, rotholten en spleten in stammen, van vlak boven de grond tot ongeveer 20 m hoogte, en in vleermuis- en vogelkasten in bos; soms in gebouwen. Omdat een kraamkolonie ongeveer om de twee à drie dagen van boom wisselt, blijven er weinig sporen achter: hooguit een paar keutels onder de ingang. De winterslaap wordt in grotten, mijnen, kelders en tunnels doorgebracht, maar ook in bomen; in ondergrondse winterverblijven worden meestal losse dieren gevonden. Vanaf eind augustus zijn de dieren bij zwermplaatsen voor grotten te vangen.

Herkenning

Een middelgrote vleermuis: onderarm 39 tot 47 mm, gewicht 7 tot 14 gram. Het kenmerk zijn de lange oren, 20 tot 26 mm, die ver uit elkaar staan, niet aan de basis verbonden zijn en aan de buitenrand negen tot elf dwarse plooien hebben; de tragus is lang en lancetvormig en reikt tot ongeveer de helft van de oorlengte. De vacht is vrij lang en ruig, bruin tot roodbruin op de rug en duidelijk lichter op de buik; jonge dieren zijn vaal tot grijsachtig. De snuit is lang, het gezicht kaal en roze. De vleugels zijn donker, kort en breed, gebouwd voor vlucht tussen vegetatie. De echolocatie bestaat uit lange, breedbandige frequentiegemoduleerde signalen tussen ongeveer 35 en 100 kHz, die zonder zichtwaarneming vrijwel niet van die van andere Myotis-soorten te onderscheiden zijn.

Gelijkende soorten

Door de oorlengte is de soort van de meeste Myotis-soorten te scheiden: bij de franjestaart (M. nattereri) en de verwante recent afgesplitste soorten zijn de oren korter, met minder plooien, en draagt de rand van de staartvlieghuid een franje van stijve haren met een S-vormige spoor. De grootoorvleermuizen (Plecotus) hebben oren die bijna zo lang zijn als het lichaam en die aan de basis boven de kop met elkaar verbonden zijn; in rust vouwen ze de oren onder de vleugels, waarbij de tragus blijft uitsteken. De vale en kleine vale vleermuis (M. myotis, M. blythii) hebben ook lange oren, maar zijn veel groter (onderarm boven 50 mm). Op de batdetector is Bechsteins vleermuis niet betrouwbaar te herkennen.

Leefgebied

Uitsluitend oud of volgroeid bos van de gematigde zone, bij voorkeur beuken- en eikenbos, van zeeniveau tot ongeveer 1500 m; kraamkolonies liggen meestal onder 800 m. De soort is sterk afhankelijk van natuurlijke boomholten en van een aaneengesloten boomlaag; zij wordt zelden in landbouwgebied, tuinen of plantages aangetroffen. Jachtgebieden liggen in het bos zelf, op 1 tot 5 m boven de grond en langs de vegetatie.

Waar het dier het meest voorkomt, ingedeeld volgens EUNIS — de Europese standaard voor leefgebieden.

Verspreiding

Europa, van Zuid-Zweden, het zuiden van Groot-Brittannië en het Iberisch Schiereiland tot Oekraïne, Griekenland en Thracië, met Corsica en Sicilië, en geïsoleerde gebieden in Zuidwest-Azië, waaronder Anatolië en de Kaukasus. In het zuiden van het areaal is de soort schaars; de populaties zijn sterk versnipperd. In fossiele vondsten uit Europa is zij een van de vaakst aangetroffen vleermuissoorten.

  • Inheems
  • donker = kerngebied, licht = dun verspreid
Waarnemingsdichtheid, geen areaal: de kaart laat zien waar de soort gemeld wordt en trekt geen grens om zijn leefgebied. De waarnemingen van GBIF (2006-01-01 – 2026-12-31) zijn geteld per hokje van 0,7° en gedeeld door alles wat in datzelfde hokje aan zoogdieren gemeld wordt — zo telt niet mee hoeveel waarnemers er kijken. De kleurdiepte volgt dat aandeel en loopt geleidelijk af; de kaart houdt zich dus niet aan landsgrenzen. Wélke van de vier kleuren een hokje krijgt, is per land uit de literatuur beslist en niet uit de waarnemingen. Landcontouren: Natural Earth (publiek domein).

Levenswijze

Bechsteins vleermuis jaagt langzaam en wendbaar, dicht bij de grond en bij bladeren, en kan stil in de lucht hangen; prooien worden deels op het gehoor gevonden, aan het geluid dat ze maken. Het voedsel bestaat vooral uit nachtvlinders, aangevuld met kevers, tweevleugeligen, netvleugeligen en andere ongewervelden die van de grond en van bladeren worden gepakt. Het jachtgebied van een kraamkolonie beslaat meestal niet meer dan 250 ha, op 1 tot 10 km van de verblijven; sommige dieren gebruiken in aaneengesloten bos tot 700 ha. De dieren vliegen ongeveer twintig minuten na zonsondergang uit. Kraamkolonies tellen 10 tot 50 vrouwtjes, zelden tot 100, en vormen zich in april; de mannetjes leven meestal alleen. De jongen worden tussen begin juni en begin juli geboren. Eind augustus verspreiden de dieren zich en paren ze bij zwermplaatsen. De hoogste bekende leeftijd in het wild is 21 jaar.

Waar en wanneer kijken

Bechsteins vleermuis is in het veld zelden te zien: ze vliegt laag tussen de bomen, laat na zonsondergang uit, en is op een batdetector niet van andere Myotis-soorten te scheiden. In veel landen wordt de soort vooral vastgesteld via kastcontroles en vangonderzoek door bevoegde onderzoekers. Een boom met een kolonie is van buiten te herkennen aan uitvliegende dieren bij het invallen van de duisternis. Kasten en boomholten met vleermuizen worden in de kraamtijd niet geopend.

Staat van instandhouding

Gevoelig (NT, 2016). De soort is in een groot deel van het areaal schaars en gebonden aan oud bos; zij is alleen in delen van Midden-Europa plaatselijk talrijk. De populaties zijn versnipperd door vroegere bosexploitatie, en kolonisatie van nieuw leefgebied wordt zelden vastgesteld. De soort staat op bijlage II en IV van de Habitatrichtlijn, zodat voor haar speciale beschermingszones moeten worden aangewezen, en valt onder de Conventie van Bern en het EUROBATS-verdrag.

Wetenschappelijke naam

Myotis bechsteinii | (Kuhl, 1817)

Kuhl beschreef de soort in 1817 als Vespertilio Bechsteinii; omdat ze later in een ander geslacht is geplaatst, staan auteur en jaartal tussen haakjes. Myotis is Grieks, van mys, genitief myos, 'muis', en ous, genitief ōtos, 'oor': 'muisoor'. bechsteinii eert de Duitse bosbouwkundige en natuuronderzoeker Johann Matthäus Bechstein (1757–1822), de schrijver van de eerste degelijke Duitse zoogdierfauna. Het eerst beschreven exemplaar kwam uit Duitsland, Hessen.