Alle soorten › Vleermuizen › Gladneuzen › Kleine vale vleermuis
Kleine vale vleermuis | Myotis blythii
Lesser mouse-eared myotis | Murciélago Ratonero Mediano
De kleine vale vleermuis is een grote Myotis van steppen, graslanden en karstgebieden in Zuid- en Zuidoost-Europa en een groot deel van Zuidwest- en Centraal-Azië. Zij lijkt sterk op de vale vleermuis, deelt met haar grotten en kraamkolonies, en in gebieden waar beide voorkomen zijn hybriden vastgesteld. De soort jaagt laag boven grasland, vooral op sabelsprinkhanen en andere grote insecten die van de vegetatie worden gepakt.
Van deze soort bestaat geen foto van een levend wild dier met een geschikte Creative Commons-licentie. Heb je er een die aan de regels voldoet? Stuur hem in.
Sporen
In het noorden van het areaal zitten kraamkolonies op zolders, in oude gebouwen en in kerken; in het zuiden vooral in grotten, tunnels en mijnen, vaak in gemengde trossen met de vale vleermuis, de langvleugelvleermuis en hoefijzerneuzen. Onder de hangplaatsen ligt mest in hopen. In de zwermtijd, vanaf augustus, hebben mannetjes vaste plekken aan grotplafonds, in spleten van bruggen of oude gebouwen en in muren, waar zij met vlucht of hangend baltsen en hun plek tegen andere mannetjes verdedigen.
Herkenning
Een grote vleermuis: onderarm 50,5 tot 62 mm, gewicht 19 tot 29,5 gram. De rug is bruinachtig, de buik bleekgrijs, witachtig of beige. De oren zijn lang (21 tot 24 mm) en driehoekig, met een spitse, lichte tragus zonder donkere punt. De snuit is relatief kort; de afstand van hoektand tot laatste bovenkies bedraagt 8,1 tot 9,5 mm. Sommige dieren hebben een lichte vlek midden op de kruin, maar die ontbreekt bij veel dieren of is nauwelijks zichtbaar en is daarom geen sluitend kenmerk. De echolocatie bestaat uit sterk gemoduleerde signalen van ongeveer 2 tot 10 ms die bij 120 tot 170 kHz beginnen en bij 26 tot 29 kHz eindigen, met de meeste energie meestal rond 35 kHz; ze lijken sterk op die van de vale vleermuis.
Gelijkende soorten
De vale vleermuis (M. myotis) is de zustersoort en verschilt vooral in gemiddelden: zij is gemiddeld groter, heeft een langere snuit en een langer oor, en haar tragus heeft vaak een donkere punt. De verdelingen overlappen, de twee delen dezelfde grotten en kraamkolonies en er zijn levensvatbare hybriden aangetoond; zonder maten, en in een deel van de gevallen ook met maten, is een individueel dier niet met zekerheid op naam te brengen. Een waarneming wordt dan genoteerd als Myotis myotis/blythii. De indeling van deze groep is in beweging: in Noord-Afrika en op Corsica en Sardinië leeft M. punicus, die vroeger als ondersoort van de kleine vale vleermuis of van de vale vleermuis werd behandeld en op grond van genetisch onderzoek als aparte soort wordt erkend; ook binnen de kleine vale vleermuis zelf worden enkele vormen, waaronder oxygnathus, als mogelijk afzonderlijke soorten genoemd. Voor een zekere toewijzing in grensgevallen is DNA nodig. Andere grote soorten, zoals de laatvlieger (Cnephaeus serotinus) met een donker gezicht en korte, ronde oren, en de langvleugelvleermuis met kleine oren en een gewelfde kop, zijn uitwendig wel te scheiden.
Leefgebied
Vooral struweel en grasland: steppe, weiden en hooilanden, karst en landbouwgebied, van zeeniveau tot ongeveer 2100 m. De soort kiest open ruimten om te jagen, en ook bosranden waar veel insecten zijn. Het dichtgroeien van verlaten landbouwgrond met struiken en jong bos vermindert het geschikte jachtgebied sterk. Verblijven liggen in grotten, tunnels, mijnen en gebouwen; overwinterende groepen van enkele honderden dieren zijn bekend uit ondergrondse verblijven met een stabiele temperatuur van 6 tot 12 °C.
Waar het dier het meest voorkomt, ingedeeld volgens EUNIS — de Europese standaard voor leefgebieden.
Verspreiding
Zuid- en het zuidelijke deel van Midden-Europa, met Sicilië, Cyprus, Kreta en kleinere eilanden in de Middellandse Zee; in Azië van Klein-Azië, de Kaukasus, Palestina en Noord-Jordanië tot Kasjmir, de Altaj, Nepal, Noord-India en Noord- en Midden-China. De soort ontbreekt in Noord-Afrika, op Corsica en op Sardinië, waar de verwante M. punicus leeft. Grote kolonies zijn bekend uit Bulgarije, met tot 8000 dieren.
- Inheems
- donker = kerngebied, licht = dun verspreid
Levenswijze
De kleine vale vleermuis jaagt meestal op 1 tot 2 m boven de grond en zoekt voortdurend het oppervlak af; zij pakt prooien van de vegetatie of de grond, door er bovenop te landen, of in de vlucht. Het voedsel bestaat vooral uit sabelsprinkhanen, meikevers, veldsprinkhanen, langpootmuggen, loopkevers en veenmollen, en in het Middellandse Zeegebied ook bidsprinkhanen en rupsen. De dieren vliegen pas geruime tijd na zonsondergang uit, na de dwergvleermuizen en langvleugelvleermuizen, en keren voor de dageraad terug. Kraamkolonies bestaan vooral uit volwassen vrouwtjes met jongen en tellen meestal 50 tot 500 dieren; mannetjes hangen alleen of in kleine groepjes in de buurt. De jongen, meestal één, worden tussen eind mei en half juni geboren, afhankelijk van het voedselaanbod, en vliegen op een leeftijd van vijf tot zes weken. Kraam- en winterverblijf liggen meestal ongeveer 15 km uit elkaar; regelmatige lange trek is niet vastgesteld, de grootste bekende afstand is ongeveer 488 km. Over de winterslaap is weinig bekend.
Waar en wanneer kijken
De soort is het best te zien bij het uitvliegen uit een bekende grot of zolder, wat pas geruime tijd na zonsondergang begint. In het veld is zij niet van de vale vleermuis te scheiden, ook niet met een batdetector; noteer de waarneming dan als Myotis myotis/blythii. Grotten met kolonies worden in de kraamtijd en in de winter niet betreden; ook het schijnen met sterke lampen op een tros veroorzaakt onrust.
Staat van instandhouding
Niet bedreigd (LC, 2016). In het noorden van het areaal, in Azië en in Turkije worden de populaties als stabiel en talrijk beschreven. In Spanje en Portugal nemen ze af; in Roemenië is een van de grootste kolonies in korte tijd bijna verdwenen. Genoemde oorzaken zijn verstoring in grotten door speleologie, toerisme en herders, en het verlies van jachtgebied doordat verlaten landbouwgrond dichtgroeit. De soort staat op bijlage II en IV van de Habitatrichtlijn, zodat voor haar speciale beschermingszones moeten worden aangewezen, en valt onder de Conventie van Bern en het EUROBATS-verdrag.
Wetenschappelijke naam
Myotis blythii | (Tomes, 1857)
Tomes beschreef de soort in 1857 als Vespertilio Blythii; omdat ze later in een ander geslacht is geplaatst, staan auteur en jaartal tussen haakjes. Myotis is Grieks, van mys, genitief myos, 'muis', en ous, genitief ōtos, 'oor': 'muisoor'. blythii eert de Engelse zoöloog Edward Blyth (1810–1873), conservator van het museum van de Asiatic Society in Calcutta, die Tomes van Indiaas materiaal voorzag. Het eerst beschreven exemplaar kwam uit India.






