Alle soorten › Pinguïns › Pinguïns › Westelijke rotspinguïn

Westelijke rotspinguïn | Eudyptes chrysocome

Western Rockhopper Penguin | Pingüino Saltarrocas Meridional

De westelijke rotspinguïn is de rotspinguïn van de Falklandeilanden en het zuiden van Zuid-Amerika, een kleine, strijdlustige kuifpinguïn met een smalle gele wenkbrauwstreep en rode ogen. Binnen het gebied is hij een zeer zeldzame dwaalgast aan de vastelandkust; de rotspinguïns die op de Prins Edwardeilanden broeden behoren tot de oostelijke soort.

Westelijke rotspinguïn (Eudyptes chrysocome)
Foto: kuhnmi — CC BY 2.0 · Wikimedia Commons

Geluid

Een schor, ratelend en schallend trompetteren, ek-ek-ek-aaah, met zwaaiende kop, hoger en rauwer dan dat van de macaronipinguïn, en kort blaffen op zee.

Luister: DuetXC1078317

Opname: Meena Haribal — CC BY-NC-SA 4.0 · ingekort tot de eerste 60 s, mono · xeno-canto

Herkenning

Ongeveer 50–55 cm, compact en kortsnavelig. Kop, keel en bovendelen zijn zwartgrijs, de onderdelen wit. Een smalle, heldergele wenkbrauwstreep begint achter de snavelbasis, komt op het voorhoofd niet samen en eindigt achter het oog in een bosje vrij korte, gele sierveren; de zwarte kopveren vormen een warrige kuif. De snavel is kort en oranjerood, met een smalle, donkere rand van kale huid langs de mondhoek. Het oog is rood, de poten roze. De onderkant van de vleugel is overwegend donker met een witte middenstreep. Onvolwassen vogels hebben een grijzige keel, een doffere snavel en slechts een vage, lichtgele wenkbrauwstreep.

Verwarrings­soorten

De oostelijke rotspinguïn Eudyptes filholi is vrijwel gelijk; hij heeft een brede, vlezig roze rand langs de mondhoek en iets langere, vollere sierveren, maar zekere determinatie van een dwaalgast vraagt goede foto's van de kop. De noordelijke rotspinguïn Eudyptes moseleyi heeft veel langere, afhangende sierveren en een bredere wenkbrauwstreep. De macaronipinguïn Eudyptes chrysolophus is groter, met een zware snavel en oranje kuifveren die op het voorhoofd samenkomen.

Leefgebied

Broedt in dichte kolonies op steile, rotsige kusten en tussen graspollen, vaak ver boven de branding, waar de vogels met hun kenmerkende sprongen over rotsblokken naar boven hippen. Foerageert op open zee boven het plat en de plaathelling op krill, andere kreeftachtigen, inktvis en kleine vis. Dwaalgasten in het gebied komen meestal aan land om te ruien.

Waar de vogel het meest zit, ingedeeld naar de vegetatie-eenheden van zuidelijk Afrika.

Verspreiding en trek

Binnen het gebied slechts enkele keren met zekerheid vastgesteld aan de kust van Zuid-Afrika, vooral in de Westkaap en de Oostkaap; oudere waarnemingen van rotspinguïns zijn vaak niet op soort gebracht. Daarbuiten broedt de soort op de Falklandeilanden en op eilanden voor Zuid-Chili en Zuid-Argentinië, zoals Staten Island en de Diego Ramírezeilanden.

Hoe en wanneer kijken

Ruiende kuifpinguïns spoelen vooral in de zuidelijke zomer aan op de stranden van de Kaap. Fotografeer de kop van opzij en van voren, met aandacht voor de breedte van de wenkbrauwstreep, de lengte van de sierveren en de kleur van de huid bij de mondhoek; alleen zo kan de soort van de oostelijke en noordelijke rotspinguïn worden gescheiden. Meld de vogel bij SANCCOB als hij verzwakt lijkt.

Staat van instandhouding

Kwetsbaar. De populatie is sinds het midden van de twintigste eeuw sterk afgenomen, vooral op de Falklandeilanden, door veranderingen in zeetemperatuur en voedselaanbod, visserij en olievervuiling; recente tellingen wijzen op plaatselijk herstel. Binnen het gebied speelt de soort geen rol van betekenis.

Wetenschappelijke naam

Eudyptes chrysocome | (Forster, 1781)

Forster beschreef de soort in 1781 als Aptenodytes chrysocome; omdat ze later in een ander geslacht is geplaatst, staan auteur en jaartal tussen haakjes. Het geslacht Eudyptes werd in 1816 ingevoerd door Vieillot. Eudyptes komt van het Griekse eu, 'goed', en duptēs, 'duiker' — 'goede duiker', naar de behendigheid waarmee deze kuifpinguïns onder water jagen. chrysocome komt van het Griekse khrusos, 'goud', en komē, 'haar' — 'goudhaar', naar de gele pluimen aan weerszijden van de kop. Het eerst beschreven exemplaar kwam uit Kidney Island, Falklandeilanden.