Alle soorten › Pinguïns › Pinguïns › Magelhaenpinguïn

Magelhaenpinguïn | Spheniscus magellanicus

Magellanic Penguin | Pingüino Magallánico

De Magelhaenpinguïn is de Zuid-Amerikaanse tegenhanger van de brilpinguïn, uit hetzelfde geslacht en met hetzelfde zwartwitte kop- en borstpatroon, maar met twee in plaats van één zwarte band over de borst. In het gebied is hij een uiterste zeldzaamheid die de Atlantische Oceaan wist over te steken.

Magelhaenpinguïn (Spheniscus magellanicus)
Foto: Liam Quinn from Canada — CC BY-SA 2.0 · Wikimedia Commons

Geluid

Een ezelachtig balken, aa-aa-aaaah, vergelijkbaar met dat van de brilpinguïn maar iets lager en voller, gegeven met de kop achterover; bij het nest ook korte blafjes.

Luister: DuetXC1079187

Opname: Meena Haribal — CC BY-NC-SA 4.0 · ingekort tot de eerste 60 s, mono · xeno-canto

Herkenning

Ongeveer 70–76 cm, iets groter en forser dan de brilpinguïn. De bovendelen zijn zwart, de onderdelen wit. Een brede witte band loopt van boven het oog over de kopzijden naar de keel en omlijst een zwart gezichtsmasker. Over de bovenborst lopen twee zwarte banden: een brede bovenste band als een kraag onder de keel en daaronder een smallere, hoefijzervormige band die langs de flanken doorloopt. Rond de snavelbasis en boven het oog zit een kleine vlek kale roze huid. De snavel is zwart met een lichte band, de poten zijn gevlekt zwart en roze. Onvolwassen vogels zijn grijzer, met een vage grijze wang, en missen de dubbele borstband.

Verwarrings­soorten

De brilpinguïn Spheniscus demersus is de voor de hand liggende valkuil: hij heeft één zwarte borstband, een grotere roze huidvlek boven het oog en vaak zwarte stippen op de borst. Onvolwassen vogels van beide soorten lijken sterk op elkaar; let op de grootte, de dikte van de snavel en eventuele sporen van een tweede band. Een vermoedelijke Magelhaenpinguïn tussen brilpinguïns vraagt goede foto's van borst en kop.

Leefgebied

Broedt in holen en onder struiken op kusten, eilanden en graslandhellingen in Zuid-Amerika. Buiten de broedtijd verblijft hij op open zee boven het continentaal plat, waar hij op ansjovis, sardien en inktvis jaagt. Dwaalgasten in het gebied werden aan de kust of tussen brilpinguïns in een kolonie aangetroffen.

Waar de vogel het meest zit, ingedeeld naar de vegetatie-eenheden van zuidelijk Afrika.

Verspreiding en trek

Binnen het gebied slechts enkele keren vastgesteld, aan de kust van de Westkaap in Zuid-Afrika; mogelijk zijn sommige vogels op schepen meegekomen, maar de soort zwerft ook op eigen kracht ver. Daarbuiten broedt hij langs de kusten van Argentinië en Chili en op de Falklandeilanden, en trekt hij in de zuidelijke winter noordwaarts tot in Brazilië en Peru.

Hoe en wanneer kijken

Bekijk zwervende of rustende pinguïns aan de kust van de Westkaap altijd op het aantal borstbanden, en neem bij twijfel contact op met SANCCOB of de zeldzaamhedencommissie: verzwakte vogels komen vaak in opvangcentra terecht, waar een zekere determinatie mogelijk is.

Staat van instandhouding

Wereldwijd niet bedreigd, met meer dan een miljoen paren, maar plaatselijk sterk afnemend. Bedreigingen zijn olievervuiling langs de Argentijnse kust, bijvangst in visnetten, concurrentie met de visserij en veranderingen in de oceaan waardoor vogels verder moeten zwemmen voor voedsel. Binnen het gebied speelt de soort geen rol van betekenis.

Wetenschappelijke naam

Spheniscus magellanicus | (Forster, 1781)

Forster beschreef de soort in 1781 als Aptenodytes magellanicus; omdat ze later in een ander geslacht is geplaatst, staan auteur en jaartal tussen haakjes. Het geslacht Spheniscus werd in 1760 ingevoerd door Brisson. Spheniscus is het verkleinwoord van het Griekse sphen, 'wig' — 'wigje', naar de wigvormige, tot vinnen vergroeide vleugels waarmee pinguïns zwemmen. magellanicus verwijst naar de Straat Magellaan in het zuiden van Zuid-Amerika, waar de soort voor het eerst werd beschreven. Het eerst beschreven exemplaar kwam uit Straat Magellaan.