Alle soorten › Pelikaanachtigen › Schoenbekken › Schoenbekooievaar

Schoenbekooievaar | Balaeniceps rex

Shoebill | Picozapato

De schoenbekooievaar is een reusachtige, leigrijze moerasvogel met een enorme, klompvormige snavel die in een scherpe haak eindigt. Hij staat urenlang roerloos tussen drijvende vegetatie op de loer naar longvissen en meervallen, en is de enige vertegenwoordiger van zijn familie. Het gebied ligt aan de zuidrand van zijn verspreiding.

Schoenbekooievaar (Balaeniceps rex)
Foto: Eric Inafuku — CC BY 2.0 · Wikimedia Commons

Geluid

Meestal zwijgzaam. Bij het nest en ter begroeting klappert de vogel luid en langdurig met de snavel, een hol, mitrailleurachtig trrrrrr. Jongen bedelen met een hikkend gemiauw; volwassen vogels laten soms een koeachtig geloei horen.

Voor deze soort is nog geen opname met een geschikte Creative Commons-licentie beschikbaar.

Herkenning

110–140 cm, spanwijdte 2,3 tot 2,6 meter. Geheel blauwgrijs, met iets donkerder slagpennen en een klein, recht afstaand kuifje op het achterhoofd. De snavel is kolossaal, breed en hoog, geelgrijs met donkere vlekken, met een scherpe nagel aan de punt; bij het rusten ligt hij op de borst. De ogen zijn groot en lichtgeel tot blauwwit en staan naar voren gericht. De poten zijn lang en zwartgrijs met zeer lange tenen, waarmee de vogel op drijvende planten kan staan. De seksen zijn gelijk; jonge vogels zijn bruiner grijs met een kleinere snavel. Vliegt met ingetrokken hals op trage, diepe vleugelslagen en zweeft geregeld hoog in de thermiek.

Verwarrings­soorten

Met goed zicht op de snavel onmiskenbaar. Van achteren of in de vlucht is verwarring mogelijk met de Goliathreiger Ardea goliath, die ook met ingetrokken hals vliegt maar roodbruin en grijs is met een dolkvormige snavel, of met de Afrikaanse maraboe Leptoptilos crumenifer, die een kale kop, een witte onderzijde en een hangende keelzak heeft.

Leefgebied

Uitgestrekte permanente papyrus- en rietmoerassen met drijvende vegetatiematten, kanalen en ondiepe open plekken met zuurstofarm water. Jaagt vanuit stilstand of met uiterst trage passen en valt dan met gespreide vleugels voorover op de prooi: vooral Afrikaanse longvissen, meervallen en tilapia's, soms waterslangen, kikkers en jonge krokodillen. Nestelt op een platform van plantenmateriaal op een drijvend eiland of een grasbult midden in het moeras.

Waar de vogel het meest zit, ingedeeld naar de vegetatie-eenheden van zuidelijk Afrika.

Verspreiding en trek

In het gebied vrijwel beperkt tot Noord-Zambia, met als bolwerk de Bangweulumoerassen; verder schaars in het Mweru Wantipa-gebied en zeldzaam als zwerver in de Kafue-vlakten en de Busanga-moerassen. Meldingen uit Botswana, Malawi en Angola zijn onbevestigd of zeer uitzonderlijk. Buiten het gebied in de moerassen van Oost- en Centraal-Afrika: Zuid-Soedan (de Sudd), Oeganda, Tanzania, Rwanda, het oosten van Congo-Kinshasa en het westen van Ethiopië.

  • Jaarrond
  • donker = kerngebied, licht = dun verspreid
Dichtheidskaart uit de waarnemingen van GBIF (2006-09-01 – 2026-08-31), geteld per hokje van 0,7° en per maand en gedeeld door alle vogelwaarnemingen in datzelfde hokje — zo telt niet mee hoeveel vogelaars er kijken. De kleurdiepte volgt dat aandeel en loopt geleidelijk af; de kaart houdt zich dus niet aan landsgrenzen. Landcontouren: Natural Earth (publiek domein).

Hoe en wanneer kijken

De Bangweulumoerassen in het droge seizoen, van april tot juli, wanneer de vogels vanuit een kano of met een lokale gids over de drijvende graslanden te benaderen zijn. Geduld loont: een jagende vogel kan een uur onbeweeglijk staan. Speur ook naar zwevende exemplaren hoog boven het moeras op warme middagen.

Staat van instandhouding

Kwetsbaar op de Rode Lijst, met een totale populatie van enkele duizenden vogels. Bedreigd door het droogleggen en in brand steken van moerassen, verstoring door vissers, het rapen van eieren en jongen voor de illegale handel in levende dieren, en jacht. In Bangweulu werken lokale gemeenschappen als nestbewakers, wat het broedsucces daar duidelijk heeft verhoogd.

Wetenschappelijke naam

Balaeniceps rex | Gould, 1850

Gould beschreef de soort in 1850 en plaatste haar meteen in het geslacht waarin ze nog altijd staat. Het geslacht Balaeniceps voerde hij in datzelfde werk in. Balaeniceps komt van het Latijnse balaena, 'walvis', en -ceps, '-koppig' — naar de enorme, klompvormige snavel. rex is Latijn voor 'koning' — naar de imposante, statige verschijning. Het eerst beschreven exemplaar kwam uit Boven-Witte Nijl, Zuid-Soedan.