Alle soorten › Nachtzwaluwachtigen › Nachtzwaluwen › Wimpelnachtzwaluw

Wimpelnachtzwaluw | Caprimulgus vexillarius

Pennant-Winged Nightjar | Chotacabras Cuelgacintas

De wimpelnachtzwaluw is een nachtzwaluw van zuidelijk Afrika. Het mannetje draagt in de broedtijd in elke vleugel een sterk verlengde handpen die als een lange, lichte wimpel achter hem aan fladdert, zodat een vliegende vogel in de schemering op drie of vier vogels tegelijk lijkt.

Wimpelnachtzwaluw (Caprimulgus vexillarius)
Foto: Nigel Voaden from UK — CC BY-SA 2.0 · Wikimedia Commons

Geluid

Een zeer hoog, dun en insectachtig getjilp en gepiep, tsip-tsip-tsiiip, vaak zo ijl dat het voor veel mensen onhoorbaar is. Het mannetje laat het horen tijdens de balts, wanneer het met trage vleugelslagen en opgeheven wimpels rond het vrouwtje cirkelt.

Luister: RoepXC682097

Opname: Dries Van de Loock — CC BY-NC-SA 4.0 · omgezet naar mono · xeno-canto

Herkenning

25–28 cm zonder de wimpels; met wimpels meet het mannetje tot ongeveer 70 cm. Een grote, warm bruine nachtzwaluw met fijne donkere tekening en een roestbruine nekband. Het mannetje in broedkleed heeft een brede witte band dwars over de zwarte handpennen, en de verlengde handpennen lopen trapsgewijs op tot de wimpel, die aan de basis donker en verder grotendeels wit is. Na de broedtijd worden de wimpels afgebroken of afgestoten. Het vrouwtje is groot, egaal bruin en heeft geen wit in vleugel of staart; de handpennen zijn roestbruin gebandeerd. Jonge mannetjes lijken op het vrouwtje.

Verwarrings­soorten

Een mannetje met wimpels is onmiskenbaar. Een mannetje zonder wimpels herken je aan de brede witte vleugelband zonder wit in de staart. Het vrouwtje is groter dan de roesthalsnachtzwaluw (Caprimulgus pectoralis) en de Gabonnachtzwaluw (Caprimulgus fossii) en mist de witte of lichte staarthoeken en vleugelvlekken van die soorten; de roestbruin gebandeerde handpennen zijn het beste kenmerk. De nachtzwaluw (Caprimulgus europaeus) is grijzer en langvleugeliger.

Leefgebied

Miombo en ander breedbladig bosveld, vaak op stenige hellingen, rotsige ruggen en in open plekken met lage begroeiing. Jaagt in de schemering op motten en kevers, in een trage, zwevende vlucht boven de boomtoppen of langs bosranden. Legt de twee eieren op de kale grond tussen strooisel.

Waar de vogel het meest zit, ingedeeld naar de vegetatie-eenheden van zuidelijk Afrika.

Verspreiding en trek

Broedvogel in het noorden en oosten van het gebied: Angola, Zambia, Malawi, Mozambique en Zimbabwe, verder het noorden van Botswana, het noordoosten van Namibië (Kavango en Zambezi-regio) en schaars in het noordoosten van Zuid-Afrika (Limpopo en Mpumalanga). Na de broedtijd trekt de soort naar Afrika net ten noorden van de evenaar, van Nigeria en Kameroen tot Zuid-Soedan en Oeganda.

  • Zomergast (ca. okt–mrt)
  • Doortrek (mrt–apr, okt–nov)
  • donker = kerngebied, licht = dun verspreid
Dichtheidskaart uit de waarnemingen van GBIF (2006-09-01 – 2026-08-31), geteld per hokje van 0,7° en per maand en gedeeld door alle vogelwaarnemingen in datzelfde hokje — zo telt niet mee hoeveel vogelaars er kijken. De kleurdiepte volgt dat aandeel en loopt geleidelijk af; de kaart houdt zich dus niet aan landsgrenzen. Landcontouren: Natural Earth (publiek domein).

Hoe en wanneer kijken

Van oktober tot december in miombo, bij het vallen van de avond. Rijd of loop langzaam langs een open plek of zandweg in het bos en kijk tegen de nog lichte hemel: de wimpels van een jagend mannetje zijn dan op honderden meters te zien. Op zandwegen zitten ook vrouwtjes, die in het koplamplicht oplichtende ogen hebben.

Staat van instandhouding

Niet bedreigd. De soort is plaatselijk vrij algemeen in miombo, al is zij in het zuiden van het gebied schaars. Grootschalige kap van miombo voor landbouw en houtskool is de belangrijkste bedreiging op lange termijn; verkeersslachtoffers op zandwegen komen geregeld voor.

Wetenschappelijke naam

Caprimulgus vexillarius | (Gould, 1838)

Gould beschreef de soort in 1838 als Semeïophorus (Macrodypteryx?) vexillarius; omdat ze later in een ander geslacht is geplaatst, staan auteur en jaartal tussen haakjes. Het geslacht Caprimulgus werd in 1758 ingevoerd door Linnaeus. Caprimulgus is Latijn, van capra 'geit' en mulgere 'melken', naar het oude volksgeloof dat nachtzwaluwen 's nachts geiten leegzogen. vexillarius is Latijn voor 'vaandeldrager' — naar de sterk verlengde binnenste handpennen die het mannetje in de broedtijd als wimpels meevoert. Het eerst beschreven exemplaar kwam uit Sierra Leone (oorspronkelijke opgave onjuist).