Alle soorten › Zangvogels › Mussen › Mozambiquemus

Mozambiquemus | Passer diffusus

Southern Grey-Headed Sparrow | Gorrión Sudafricano

De Mozambiquemus is de algemene grijskoppige mus van het grootste deel van het gebied: een sobere, egaal grijze mus met een roodbruine rug en een witte schoudervlek. Hij leeft in savanne en bosveld en heeft zich in de afgelopen decennia sterk in dorpen, boerenerven en stadstuinen gevestigd.

Mozambiquemus (Passer diffusus)
Foto: Derek Keats from Johannesburg, South Africa — CC BY 2.0 · Wikimedia Commons

Geluid

Een eenvoudig, langzaam herhaald tsjiep, tsjirp, tsjiep, dat als zang vaak lang volgehouden wordt, en een ratelend tsjurrrr bij alarm. Groepen tjilpen zacht bij het foerageren.

Luister: ZangXC1143078

Opname: Walter Wallner — CC BY-NC-SA 4.0 · ingekort tot de eerste 60 s, mono · xeno-canto

Herkenning

15 tot 16 cm. De kop is effen lichtgrijs, zonder zwart en zonder wenkbrauw, en gaat geleidelijk over in een lichtgrijze borst; de keel is vuilwit en valt weinig op. Mantel en schouders zijn warmbruin tot kaneelbruin, onderrug en stuit roodbruin. Op de middelste vleugeldekveren ligt een kleine witte vlek, die in vlucht als een witte schouderstreep oplicht. De buik is vuilwit. De snavel is in de broedtijd zwart, daarbuiten hoornkleurig. De seksen zijn gelijk; jonge vogels zijn bruiner en doffer.

Verwarrings­soorten

De grijskopmus (Passer griseus) in het uiterste noorden van Angola, Zambia en Malawi is forser en donkerder, met een donker asgrijze kop, een scherp afgetekende witte keel en meer rossig op de rug; in de contactzone komen tussenvormen voor. Het vrouwtje van de huismus (Passer domesticus) heeft een geelbruine wenkbrauw en een gestreepte rug. De Kaapse rotsmus (Gymnoris superciliaris) heeft een brede witte wenkbrauwstreep. De effen grijze kop met de roodbruine rug en de witte schoudervlek zijn kenmerkend.

Leefgebied

Open savanne, doornveld, mopane- en gemengd bosveld, droge rivierbeddingen, boerenerven, kampen, dorpen en tuinen. Foerageert op de grond naar zaden en insecten, buiten de broedtijd in kleine groepen. Nestelt in boomholtes, oude baardvogel- en spechtengaten, holle palen, nestkasten en soms oude zwaluw- of wevernesten.

Waar de vogel het meest zit, ingedeeld naar de vegetatie-eenheden van zuidelijk Afrika.

Verspreiding en trek

In het gebied wijdverspreid in het zuiden van Angola, Zambia (ten zuiden van de noordrand), het zuiden en midden van Malawi, Mozambique, Zimbabwe, Botswana, Namibië (niet in de kale Namib), Eswatini, Lesotho (plaatselijk) en een groot deel van Zuid-Afrika; schaars of afwezig in het zuidwesten van de West-Kaap en in delen van de droge Karoo. Daarbuiten nauwelijks: alleen aansluitend in het zuiden van Congo-Kinshasa en het zuiden van Tanzania.

  • Jaarrond
  • Zomergast (ca. okt–mrt)
  • Wintergast (ca. apr–sep)
  • Doortrek (mrt–apr, okt–nov)
  • donker = kerngebied, licht = dun verspreid
Dichtheidskaart uit de waarnemingen van GBIF (2006-09-01 – 2026-08-31), geteld per hokje van 0,7° en per maand en gedeeld door alle vogelwaarnemingen in datzelfde hokje — zo telt niet mee hoeveel vogelaars er kijken. De kleurdiepte volgt dat aandeel en loopt geleidelijk af; de kaart houdt zich dus niet aan landsgrenzen. Landcontouren: Natural Earth (publiek domein).

Hoe en wanneer kijken

Een gewone vogel van rustkampen en boerenerven, waar hij vaak samen met Kaapse mussen en huismussen voorkomt. Een grijze kop zonder enige zwarte tekening sluit de andere mussen snel uit. Let in het noorden van Zambia en Malawi op de keeltekening om de grijskopmus te herkennen.

Staat van instandhouding

Niet bedreigd. Algemeen en wijdverspreid; heeft zich met de verspreiding van boerderijen, bomen en tuinen naar het zuiden en westen van Zuid-Afrika uitgebreid. Er zijn geen aanwijzingen voor achteruitgang.

Wetenschappelijke naam

Passer diffusus | (Smith, 1836)

Smith beschreef de soort in 1836 als Pyrgita diffusa; omdat ze later in een ander geslacht is geplaatst, staan auteur en jaartal tussen haakjes. Het geslacht Passer werd in 1760 ingevoerd door Brisson. Passer is het Latijnse woord voor 'mus'. diffusus is Latijn voor 'verspreid, uitgebreid'; waar Smith precies op doelde — de wijde verspreiding of de vage tekening — is niet zeker. Het eerst beschreven exemplaar kwam uit bij Kuruman, Noord-Kaap, Zuid-Afrika.