Alle soorten › Zangvogels › Mussen › Kaapse mus

Kaapse mus | Passer melanurus

Cape Sparrow | Gorrión del Cabo

De Kaapse mus is de inheemse mus van het droge zuiden en westen van het gebied, met bij het mannetje een markante zwart-witte kop. Hij is even vertrouwd op boerenerven, in dorpen en in stadstuinen als in open Karoo en doornveld, en is endemisch voor zuidelijk Afrika.

Kaapse mus (Passer melanurus)
Hoofdfoto · Foto: Bernard DUPONT from FRANCE — CC BY-SA 2.0 · Wikimedia Commons

Klik op een duimnagel om de foto hierboven te wisselen.

Geluid

Een druk, luid en metaalachtig getjilp, tsjissip of tsjirrup, en als zang een herhaald tsjierip-tsjoe, tsjierip-tsjoe. In groepen een aanhoudend gekwetter; bij alarm een ratelend tsjurrrr.

Luister: ZangXC1170131

Opname: Walter Wallner — CC BY-NC-SA 4.0 · ingekort tot de eerste 60 s, mono · xeno-canto

Herkenning

14 tot 16 cm. Het mannetje heeft een zwarte kop en keel met een brede witte C-vormige band die van achter het oog langs de halszijde naar beneden buigt; de zwarte keel loopt uit in een bef op de borst. Mantel, schouders en stuit zijn helder kastanjebruin, de vleugel is zwartachtig met een witte vleugelstreep. De onderdelen zijn lichtgrijs tot vuilwit. Het vrouwtje heeft een grijze kop waarop het C-patroon als schim in lichter grijs en wit terugkomt, zonder zwarte bef, en eveneens een kastanjebruine rug. De snavel is zwart bij het mannetje, hoornkleurig bij het vrouwtje. Jonge vogels lijken op het vrouwtje.

Verwarrings­soorten

Het mannetje van de huismus (Passer domesticus), een geïntroduceerde soort, heeft een grijze kruin, bruine wangstreep en grijswitte wangen zonder witte C-band. Het vrouwtje van de huismus is geelbruiner, met een lichte wenkbrauw en een gestreepte, bruine in plaats van kastanjebruine rug. De roestmus (Passer motitensis) heeft een grijze kruin, een roodbruine band van oog tot nek en slechts een kleine zwarte keelvlek. Het mannetje is onmiskenbaar; bij vrouwtjes letten op de grijze kop met vage lichte halve cirkel en de kastanjebruine schouders.

Leefgebied

Droge, open landschappen: Karoo, doornveld, droog grasland, fynbos- en renosterveldranden, en vooral boerenerven, akkers, dorpen en stadstuinen. Foerageert op de grond naar zaden, graan, knoppen en insecten, buiten de broedtijd soms in grote groepen. Het nest is een slordige bal van gras in een doornstruik of boom, soms in een gat in een gebouw.

Waar de vogel het meest zit, ingedeeld naar de vegetatie-eenheden van zuidelijk Afrika.

Verspreiding en trek

Endemisch voor het gebied: vrijwel heel Zuid-Afrika (schaarser in het vochtige oosten van KwaZoeloe-Natal en het Laagveld), Lesotho, het westen van Eswatini, Namibië (niet in het noordoosten), het grootste deel van Botswana behalve het noorden, het zuidwesten van Zimbabwe en het uiterste zuidwesten van Angola. Daarbuiten niet.

  • Jaarrond
  • Wintergast (ca. apr–sep)
  • Doortrek (mrt–apr, okt–nov)
  • donker = kerngebied, licht = dun verspreid
Dichtheidskaart uit de waarnemingen van GBIF (2006-09-01 – 2026-08-31), geteld per hokje van 0,7° en per maand en gedeeld door alle vogelwaarnemingen in datzelfde hokje — zo telt niet mee hoeveel vogelaars er kijken. De kleurdiepte volgt dat aandeel en loopt geleidelijk af; de kaart houdt zich dus niet aan landsgrenzen. Landcontouren: Natural Earth (publiek domein).

Hoe en wanneer kijken

In Kaapstad, de Karoo en langs de grote wegen van het binnenland is hij vrijwel overal te zien, vaak naast huismussen: een goede plek om beide soorten naast elkaar te vergelijken. Let bij groepen vrouwtjes op de grijze kop en kastanjebruine schouders van de Kaapse mus tegenover de bruinere kop en wenkbrauw van de huismus.

Staat van instandhouding

Niet bedreigd. Algemeen tot zeer algemeen en profiteert van landbouw en bebouwing. Wordt plaatselijk als plaag in graan en fruit beschouwd. Er zijn geen aanwijzingen voor een verdringing door de huismus op grote schaal.

Wetenschappelijke naam

Passer melanurus | (Müller, 1776)

Müller beschreef de soort in 1776 als Loxia melanura; omdat ze later in een ander geslacht is geplaatst, staan auteur en jaartal tussen haakjes. Het geslacht Passer werd in 1760 ingevoerd door Brisson. Passer is het Latijnse woord voor 'mus'. melanurus komt van het Griekse melas, 'zwart', en oura, 'staart' — 'zwartstaart'. Het eerst beschreven exemplaar kwam uit Kaapstad, Zuid-Afrika.