Alle soorten › Pelikaanachtigen › Reigers › Geelsnavelzilverreiger

Geelsnavelzilverreiger | Ardea brachyrhyncha

Yellow-Billed Egret | Garceta Piquicorta

De geelsnavelzilverreiger is een middelgrote, geheel witte reiger die qua formaat en bouw precies tussen de kleine en de grote zilverreiger in valt. Hij is minder aan open water gebonden dan zijn verwanten en foerageert vaak in ondergelopen gras en vleien, waar hij langzaam en met een wat gebogen hals jaagt.

Geelsnavelzilverreiger (Ardea brachyrhyncha)
Foto: Diego Delso — CC BY-SA 4.0 · Wikimedia Commons

Geluid

Grotendeels zwijgzaam. Bij verstoring en in de kolonie een schor, rauw kwark en zachte kokhalzende geluiden.

Voor deze soort is nog geen opname met een geschikte Creative Commons-licentie beschikbaar.

Herkenning

Ongeveer 66 cm, geheel wit. De snavel is relatief kort en geel; de mondhoek eindigt onder het oog, niet erachter. De hals is korter en minder sterk geknikt dan bij de grote zilverreiger, de kop wat ronder. De poten zijn zwart, maar het bovenste deel van de tibia is geel tot groenachtig. In broedkleed heeft de vogel lange sierveren op rug en borst, is de snavel rood met een gele punt, zijn de teugels lichtgroen en kleurt het bovenbeen rood of oranje. De seksen zijn gelijk; jonge vogels hebben geen sierveren. In de vlucht de hals ingetrokken, de poten steken minder ver uit dan bij de grote zilverreiger.

Verwarrings­soorten

De grote zilverreiger Ardea alba is groter, met een langere, duidelijk geknikte hals, een langere snavel waarvan de mondhoek tot achter het oog doorloopt, en geheel zwarte poten. De kleine zilverreiger Egretta garzetta is slanker, met een dunne zwarte snavel en gele tenen. De koereiger Ardea ibis is veel kleiner en gedrongener, met een korte dikke snavel en een 'onderkin'.

Leefgebied

Vleien, overstroomde graslanden, ondiepe randen van dammen en pannen, rijstvelden en moerassige weilanden; minder vaak langs open oevers of aan de kust. Loopt langzaam en jaagt op vissen, kikkers en grote insecten, vaak tussen hoog gras. Broedt in gemengde kolonies met andere reigers in rietlanden of bomen boven het water.

Waar de vogel het meest zit, ingedeeld naar de vegetatie-eenheden van zuidelijk Afrika.

Verspreiding en trek

Wijdverspreid maar nergens erg talrijk in het noorden en oosten van het gebied: Angola, Zambia, Malawi, Mozambique, Zimbabwe, het noorden van Botswana (Okavango, Chobe) en het noorden van Namibië (Caprivi). In Zuid-Afrika vooral in het oosten, van KwaZulu-Natal en Mpumalanga tot het Hoogveld, met verspreide vogels in de Kaapprovincies; schaars in de droge westelijke helft. Verder over Afrika ten zuiden van de Sahara en op Madagaskar.

  • Jaarrond
  • Zomergast (ca. okt–mrt)
  • Wintergast (ca. apr–sep)
  • Doortrek (mrt–apr, okt–nov)
  • donker = kerngebied, licht = dun verspreid
Dichtheidskaart uit de waarnemingen van GBIF (2006-09-01 – 2026-08-31), geteld per hokje van 0,7° en per maand en gedeeld door alle vogelwaarnemingen in datzelfde hokje — zo telt niet mee hoeveel vogelaars er kijken. De kleurdiepte volgt dat aandeel en loopt geleidelijk af; de kaart houdt zich dus niet aan landsgrenzen. Landcontouren: Natural Earth (publiek domein).

Hoe en wanneer kijken

Let in een groep witte reigers op de verhoudingen: halslengte, de lengte van de mondhoek ten opzichte van het oog en de kleur van het bovenbeen zijn de beste kenmerken. In het regenseizoen zijn overstroomde graslanden met veel kikkers het beste zoekgebied; daar staat de soort vaak alleen of in kleine groepjes tussen het gras.

Staat van instandhouding

Niet bedreigd. Afhankelijk van zoetwatermoerassen en seizoensgebonden overstromingen; plaatselijk achteruit door het droogleggen en omploegen van vleien, maar de soort maakt ook gebruik van dammen en rijstvelden.

Wetenschappelijke naam

Ardea brachyrhyncha | (Brehm, 1854) (GBIF: Egretta intermedia)

Brehm beschreef de soort in 1854 als Herodias brachyrhynchus; omdat ze later in een ander geslacht is geplaatst, staan auteur en jaartal tussen haakjes. Het geslacht Ardea werd in 1758 ingevoerd door Linnaeus. Ardea is het Latijnse woord voor 'reiger'. brachyrhyncha komt van het Griekse brakhus, 'kort', en rhunkhos, 'snavel' — naar de wat kortere snavel dan die van verwante zilverreigers. Het eerst beschreven exemplaar kwam uit Blauwe Nijl, Soedan.