Alle soorten › Pelikaanachtigen › Reigers › Blauwe reiger

Blauwe reiger | Ardea cinerea

Grey Heron | Garza Real

De blauwe reiger is een grote grijs-witte reiger die in zuidelijk Afrika vrijwel overal voorkomt waar water met vis is, van bergbeken tot estuaria. Anders dan de verwante zwartkopreiger is hij sterk aan water gebonden en jaagt hij vrijwel alleen staand of langzaam wadend in ondiep water.

Blauwe reiger (Ardea cinerea)
Foto: Stefankns — CC BY-SA 4.0 · Wikimedia Commons

Geluid

Een luid, schor fraank of kraank, vooral in de vlucht; in de kolonie klepperen met de snavel en allerlei krassende en blaffende geluiden.

Luister: VluchtroepXC1179538

Opname: David Darrell-Lambert — CC BY-NC-SA 4.0 · omgezet naar mono · xeno-canto

Herkenning

Ongeveer 100 cm. Kop en hals zijn wit, met een brede zwarte streep van boven het oog naar de achterkop die uitloopt in een dunne zwarte kuif; langs de voorhals loopt een rij zwarte vlekken. Rug en vleugels zijn lichtgrijs, de schouders met een zwarte vlek bij de vleugelbocht. De snavel is geel, in de broedtijd kort oranjeroze; de poten zijn geelbruin. Jonge vogels zijn grijzer op kop en hals, met een donkergrijze kruin en een doffere snavel. In de vlucht zijn de slagpennen zwart en de ondervleugel egaal grijs.

Verwarrings­soorten

De zwartkopreiger Ardea melanocephala heeft een zwarte kruin en achterhals, donkere poten en in de vlucht een tweekleurige ondervleugel met witte dekveren; hij foerageert vaak op het droge. De Goliathreiger Ardea goliath en de purperreiger Ardea purpurea zijn roestbruin op kop en hals.

Leefgebied

Oevers van rivieren, meren, dammen, pannen, vleien, visvijvers en estuaria, ook rotskusten en lagunes. Staat lang roerloos in ondiep water of loopt langzaam en jaagt op vissen, kikkers, krabben en soms knaagdieren en jonge vogels. Broedt in kolonies in hoge bomen, rietvelden of op rotsen, vaak samen met andere reigers en aalscholvers.

Waar de vogel het meest zit, ingedeeld naar de vegetatie-eenheden van zuidelijk Afrika.

Verspreiding en trek

Over vrijwel het hele gebied algemeen waar geschikt water is, van Angola en Zambia tot de West-Kaap, inclusief de hooglanden van Lesotho; ontbreekt alleen in de droogste woestijngebieden. Verder over Afrika ten zuiden van de Sahara, op Madagaskar en in Europa en Azië; Europese broedvogels overwinteren voor een deel in Noord- en West-Afrika.

  • Jaarrond
  • Zomergast (ca. okt–mrt)
  • Wintergast (ca. apr–sep)
  • Doortrek (mrt–apr, okt–nov)
  • donker = kerngebied, licht = dun verspreid
Dichtheidskaart uit de waarnemingen van GBIF (2006-09-01 – 2026-08-31), geteld per hokje van 0,7° en per maand en gedeeld door alle vogelwaarnemingen in datzelfde hokje — zo telt niet mee hoeveel vogelaars er kijken. De kleurdiepte volgt dat aandeel en loopt geleidelijk af; de kaart houdt zich dus niet aan landsgrenzen. Landcontouren: Natural Earth (publiek domein).

Hoe en wanneer kijken

Vrijwel bij elke dam of rivier te vinden. Let op het onderscheid met de zwartkopreiger: kijk naar de kopkleur en, als de vogel opvliegt, naar de ondervleugel. Broedkolonies zijn in de winter en het vroege voorjaar het meest actief.

Staat van instandhouding

Niet bedreigd; in zuidelijk Afrika talrijk en eerder toegenomen door de aanleg van dammen en visvijvers. Soms vervolgd bij viskwekerijen.

Wetenschappelijke naam

Ardea cinerea | Linnaeus, 1758

Linnaeus beschreef de soort in 1758 en plaatste haar meteen in het geslacht waarin ze nog altijd staat. Het geslacht Ardea voerde hij in datzelfde werk in. Ardea is het Latijnse woord voor 'reiger'. cinerea is Latijn voor 'asgrauw', van cinis 'as'. Het eerst beschreven exemplaar kwam uit Zweden.