Alle soorten › Pelikaanachtigen › Reigers › Roodbuikreiger

Roodbuikreiger | Ardeola rufiventris

Rufous-Bellied Heron | Garcilla Ventrirroja

De roodbuikreiger is een kleine, donkere reiger van ondiepe, begroeide overstromingsvlakten. Door zijn donkere kleuren valt hij in de vegetatie weinig op, maar een goede blik op de roodbruine buik, vleugels en staart en de gele poten laat geen twijfel.

Roodbuikreiger (Ardeola rufiventris)
Foto: redshift3 — CC BY-NC 4.0 · iNaturalist

Geluid

Weinig gehoord. Bij opvliegen of bij verstoring een schor, raspend kaa; in de kolonie zachte, keelachtige geluiden.

Luister: RoepXC737660

Opname: Derek Solomon — CC BY-NC-SA 4.0 · ingekort tot de eerste 60 s, mono · xeno-canto

Herkenning

Ongeveer 38 cm, gedrongen en kortnekkig. Het mannetje heeft een donker leigrijze kop, hals, borst en rug en een diep roodbruine buik, vleugels, stuit en staart. De snavel is geel met een donkere punt, de teugels zijn geel en de poten geel, in de broedtijd helder oranjegeel. Het vrouwtje is doffer en bruiner, met een bleke streep langs keel en voorhals. Jonge vogels lijken op het vrouwtje, met een lichtere, gestreepte keel. In vlucht geheel donker, zonder wit in de vleugel.

Verwarrings­soorten

Sharpes reiger Egretta vinaceigula is groter en slanker, geheel leigrijs, met slechts een kleine rossige keel en een zwarte snavel. Zwarte reiger Egretta ardesiaca is groter, zwart, met zwarte poten en gele tenen. Mangrovereiger Butorides striata heeft een zwarte kap, een grijsgroene rug met bleek geschubde vleugels en grijze onderdelen. Ralreiger Ardeola ralloides heeft dezelfde bouw, maar is geelbruin met witte vleugels.

Leefgebied

Ondiepe, tijdelijk overstroomde graslanden, moerassen en de randen van lagunes met korte, dichte begroeiing en waterlelies. Foerageert sluipend of staand tussen de vegetatie, vaak half verscholen, op kleine vissen, kikkers, kreeftjes en waterinsecten. Broedt in kleine groepen in riet of papyrus, soms tussen andere reigers.

Waar de vogel het meest zit, ingedeeld naar de vegetatie-eenheden van zuidelijk Afrika.

Verspreiding en trek

Vooral in het noorden van Botswana (Okavangodelta, Linyanti en Chobe), de Caprivistrook van Namibië en Zambia (Kafue Flats, Bangweulu, Liuwa-vlakte); verder in het zuidoosten van Angola, plaatselijk in Zimbabwe en Malawi en zeldzaam in Mozambique. In Zuid-Afrika een schaarse en onregelmatige gast in het noordoosten, onder meer op Nylsvley, waar hij soms broedt. Daarbuiten in Tanzania, het zuiden van Congo-Kinshasa, Rwanda, Oeganda en zeldzaam Kenia.

  • Jaarrond
  • Zomergast (ca. okt–mrt)
  • Wintergast (ca. apr–sep)
  • Doortrek (mrt–apr, okt–nov)
  • donker = kerngebied, licht = dun verspreid
Dichtheidskaart uit de waarnemingen van GBIF (2006-09-01 – 2026-08-31), geteld per hokje van 0,7° en per maand en gedeeld door alle vogelwaarnemingen in datzelfde hokje — zo telt niet mee hoeveel vogelaars er kijken. De kleurdiepte volgt dat aandeel en loopt geleidelijk af; de kaart houdt zich dus niet aan landsgrenzen. Landcontouren: Natural Earth (publiek domein).

Hoe en wanneer kijken

Het best vanuit een mokoro of boot in de ondiepe lagunes en overstroomde graslanden van de Okavangodelta, of op de Kafue Flats wanneer het water zakt. Let op een kleine donkere reiger die kort boven het gras opvliegt en snel weer invalt; in vlucht zijn de roodbruine vleugels en de gele poten goed te zien.

Staat van instandhouding

Niet bedreigd, maar in het gebied gebonden aan grote, natuurlijk overstromende wetlands. Veranderingen in de waterhuishouding, drooglegging en branden in de vloedvlakten kunnen plaatselijke populaties sterk beïnvloeden; in Zuid-Afrika geldt de soort als kwetsbaar.

Wetenschappelijke naam

Ardeola rufiventris | (Sundevall, 1850)

Sundevall beschreef de soort in 1850 als Ardea rufiventris; omdat ze later in een ander geslacht is geplaatst, staan auteur en jaartal tussen haakjes. Het geslacht Ardeola werd in 1822 ingevoerd door Boie. Ardeola is Latijn, een verkleinwoord van ardea 'reiger', dus 'reigertje'. rufiventris komt van het Latijnse rufus, 'roodbruin', en venter, 'buik' — naar de kastanjebruine buik. Het eerst beschreven exemplaar kwam uit Mooi River bij Potchefstroom, Zuid-Afrika.