Alle soorten › Zangvogels › Vliegenvangers › Zwarte waaierstaart

Zwarte waaierstaart | Cercotrichas podobe

Black Scrub Robin | Alzacola negro

De zwarte waaierstaart is een slanke, geheel donkere zangvogel met een lange staart die hij voortdurend opwipt, spreidt en over de rug legt. Hij hoort bij het acaciastruweel van de Sahel en van de Arabische kustvlakten langs de Rode Zee, en duikt in Egypte en Israël steeds vaker op als dwaalgast.

Zwarte waaierstaart (Cercotrichas podobe)
Foto: Mourad Harzallah — CC BY 4.0 · Wikimedia Commons

Geluid

De zang is een gevarieerde, melodieuze reeks lijsterachtige fluittonen en korte frasen, met imitaties, vaak vanaf een hoge zitpost en ook in de schemering. Roepen zijn een hard tsjek en een schor ratelend trrr.

Luister: ZangXC1163959

Opname: Zsombor Károlyi — CC BY-NC-SA 4.0 · omgezet naar mono · xeno-canto

Herkenning

20–22 cm, waarvan bijna de helft staart. Het hele kleed is dof zwart tot zwartbruin, met smalle witte punten aan de buitenste staartpennen die vooral opvallen als de staart gewaaierd wordt. In de vlucht toont hij roestbruine handpenbasissen, een kenmerk van de Arabische ondersoort melanoptera dat bij zittende vogels vaak verborgen blijft. De snavel is fijn en zwart, de poten lang en donker. Mannetje en vrouwtje zijn gelijk; jonge vogels zijn bruiner en doffer. Hij zit vaak opvallend op de top van een struik of een paal en loopt of hupt vlot over de grond, steeds met opgeheven, waaierende staart.

Verwarrings­soorten

Door de lange, telkens opgewipte staart is hij nauwelijks te verwarren. De zwarte tapuit (Oenanthe leucura) en de witkruintapuit (Oenanthe leucopyga) zijn ook zwart, maar hebben een witte stuit en veel wit in de staart en zijn gedrongener. Een man zwarte roodstaart (Phoenicurus ochruros) heeft een oranjerode staart en is kleiner. De zwartstaart (Oenanthe melanura) waaiert ook met de staart maar is grijs met een zwarte staart.

Leefgebied

Droog acaciastruweel en doornstruweel in kustvlakten, wadi's en aan de voet van de bergen, vaak bij dorpen, akkerranden, tuinen en heggen van Prosopis. Mijdt het gesloten jeneverbesbos van de hoge toppen. Dwaalgasten in Egypte en Israël zitten graag in hotel- en parktuinen. Eet insecten van de grond.

Waar de vogel het meest zit, ingedeeld naar de leefgebieden van Noord-Afrika en het Midden-Oosten.

Verspreiding en trek

In het gebied standvogel in het westen en zuidwesten van Saoedi-Arabië: langs de hele Tihama en de Rode Zeekust noordwaarts tot rond Yanbu, in de Hidjaz en de lagere delen van de Asir, en landinwaarts regelmatig tot Riyad; in de Oostelijke Provincie zeer zeldzaam maar mogelijk zich uitbreidend. Verder in het westen en zuiden van Jemen. Aan de Egyptische Rode Zeekust (El Gouna, Marsa Alam, Berenice, Gebel Elba) sinds 2000 een zeldzame, onregelmatige gast, vooral in winter en voorjaar; bij Eilat in Israël vrijwel jaarlijks een of twee vogels in maart en april. In Koeweit pas twee keer gezien (2006 en 2010). Daarbuiten standvogel in de Sahel van Senegal tot Soedan en Eritrea, in de winter iets zuidelijker tot Ethiopië en Somalië.

  • Jaarrond
  • Zomergast (ca. apr–sep)
  • Wintergast (ca. okt–mrt)
  • Doortrek (mrt–apr, okt–nov)
  • donker = kerngebied, licht = dun verspreid
Dichtheidskaart uit de waarnemingen van GBIF (2006-10-01 – 2026-09-30), geteld per hokje van 0,7° en per maand en gedeeld door alle vogelwaarnemingen in datzelfde hokje — zo telt niet mee hoeveel vogelaars er kijken. De kleurdiepte volgt dat aandeel en loopt geleidelijk af; de kaart houdt zich dus niet aan landsgrenzen. Landcontouren: Natural Earth (publiek domein).

Hoe en wanneer kijken

In de Tihama van Saoedi-Arabië of Jemen in elk acaciastruweel langs de weg: zoek een zwarte vogel die op een struiktop zijn staart opwipt en spreidt. In Israël maart–april bij het ringstation van Eilat, het Holland Park en de akkers van Yotvata en Lotan.

Staat van instandhouding

Wereldwijd niet bedreigd. In Arabië lijkt hij zich noord- en oostwaarts uit te breiden, en ook het toenemende aantal waarnemingen in Egypte en Israël wijst op een lichte uitbreiding naar het noorden.

Wetenschappelijke naam

Cercotrichas podobe | (Müller, 1776)

Müller beschreef de soort in 1776 als Turdus podobe; omdat ze later in een ander geslacht is geplaatst, staan auteur en jaartal tussen haakjes. Het geslacht Cercotrichas werd in 1831 ingevoerd door Boie. Cercotrichas is Grieks, van kerkos 'staart' en trikhas 'lijster'. Van podobe is geen betrouwbare verklaring gevonden. Het eerst beschreven exemplaar kwam uit Senegal.