Alle soorten › Zangvogels › Vliegenvangers › Rosse waaierstaart

Rosse waaierstaart | Cercotrichas galactotes

Rufous-Tailed Scrub-Robin | Alzacola rojizo

De rosse waaierstaart is een zandkleurige, langstaartige zangvogel van droge, struikrijke landschappen, die zijn lange roestrode staart met zwart-witte punten opvallend opwipt en waaiert. In het gidsgebied is hij een wijdverbreide zomergast, van de Maghreb en de Nijl tot de Levant, Irak en Oost-Arabië.

Rosse waaierstaart (Cercotrichas galactotes)
Foto: Parth Kansara — CC BY 4.0 · Wikimedia Commons

Geluid

De zang is een heldere, wat schokkerige reeks gevarieerde fluitende frasen met pauzes, leeuwerik- of lijsterachtig, vaak vanaf een struiktop of draad en ook in een korte zangvlucht. Roepen zijn een hard tsjek en een schor tsjrr.

Luister: ZangXC1134777

Opname: Stanislas Wroza — CC BY-NC-SA 4.0 · omgezet naar mono · xeno-canto

Herkenning

15–17 cm. Bovendelen zandbruin (westelijke vogels) tot grijsbruin (oostelijke vogels), met een duidelijke lichte wenkbrauwstreep, een donkere oogstreep en een lichte onderzijde. De lange, afgeronde staart is helder roestrood met een zwarte band en witte punten, die bij het waaieren als een zwart-wit patroon oplichten. Vleugels met lichte zomen. De snavel is vrij lang en licht gebogen, de poten lang en roze. In het gebied komen drie vormen voor: galactotes (Maghreb, Egypte) warm roodbruin boven, syriaca (Levant) grijzer op rug en kruin, en familiaris (Irak, Oost-Arabië) nog grijzer met minder rood in de staart. De seksen zijn gelijk.

Verwarrings­soorten

De nachtegaal (Luscinia megarhynchos) heeft ook een rossige staart maar geen wenkbrauwstreep en geen zwart-witte staartpunten, en houdt zich verborgen. Het vrouwtje gekraagde roodstaart (Phoenicurus phoenicurus) is kleiner, trilt met de staart in plaats van hem te waaieren en mist de wenkbrauwstreep. Grijze oostelijke vogels kunnen op de oostelijke vale spotvogel (Iduna pallida) lijken, maar die heeft een bruingrijze, ongetekende staart.

Leefgebied

Droog, open land met verspreide struiken: olijf- en amandelgaarden, wijngaarden, dadelpalmtuinen en oases, cactushagen, tamariskstruweel in wadi's, garrigue en akkerranden; in Oost-Arabië ook kustvegetatie en tuinen. Foerageert op de grond, in de schaduw onder struiken.

Waar de vogel het meest zit, ingedeeld naar de leefgebieden van Noord-Afrika en het Midden-Oosten.

Verspreiding en trek

Broedt als zomergast in Marokko (vooral in het zuiden en oosten, ook in de oases ten zuiden van de Atlas), in Algerije en Tunesië (vooral in de steppezone en de oases), in Libië langs de kust en in de oases, in Egypte langs de Nijlvallei, de delta en in de oases, en in de Levant: Israël, Jordanië, Libanon en Syrië. In Irak broedt hij langs Eufraat en Tigris, en in Oost-Arabië in Koeweit (sinds begin jaren 2000 bevestigd), Bahrein en de Oostelijke Provincie van Saoedi-Arabië. Op de trek door het hele gebied, ook door Saoedi-Arabië, Jemen, Oman en de Golfstaten. Overwintert in de Sahel en Oost-Afrika. Daarbuiten broedt hij in Zuid-Spanje en Portugal, Zuidoost-Europa, Turkije en Iran tot Centraal-Azië; de ondersoort minor is standvogel in de Sahel.

  • Jaarrond
  • Zomergast (ca. apr–sep)
  • Wintergast (ca. okt–mrt)
  • Doortrek (mrt–apr, okt–nov)
  • donker = kerngebied, licht = dun verspreid
Dichtheidskaart uit de waarnemingen van GBIF (2006-10-01 – 2026-09-30), geteld per hokje van 0,7° en per maand en gedeeld door alle vogelwaarnemingen in datzelfde hokje — zo telt niet mee hoeveel vogelaars er kijken. De kleurdiepte volgt dat aandeel en loopt geleidelijk af; de kaart houdt zich dus niet aan landsgrenzen. Landcontouren: Natural Earth (publiek domein).

Hoe en wanneer kijken

In mei en juni in de dadelpalmtuinen van de Marokkaanse oases (Merzouga, de vallei van de Draa) of in de olijfgaarden van Tunesië: hij zingt vanaf een paal of struiktop en springt dan met gewaaierde staart op de grond. In Koeweit en Bahrein in elke ruigte met struiken.

Staat van instandhouding

Wereldwijd niet bedreigd. In Europa sterk achteruitgegaan door intensievere landbouw; in het gidsgebied verliest hij plaatselijk broedgebied door het verdwijnen van traditionele oases en boomgaarden, maar elders profiteert hij van aanplant en irrigatie.

Wetenschappelijke naam

Cercotrichas galactotes | (Temminck, 1820) (GBIF: Erythropygia galactotes)

Temminck beschreef de soort in 1820 als Sylvia galactotes; omdat ze later in een ander geslacht is geplaatst, staan auteur en jaartal tussen haakjes. Het geslacht Cercotrichas werd in 1831 ingevoerd door Boie. Cercotrichas is Grieks, van kerkos 'staart' en trikhas 'lijster'. galactotes betekent 'melkachtig', van het Griekse gala 'melk'. Het eerst beschreven exemplaar kwam uit Algeciras in Zuid-Spanje.