Alle soorten › Zangvogels › Vliegenvangers › Grauwe vliegenvanger
Grauwe vliegenvanger | Muscicapa striata
Spotted Flycatcher | Papamoscas gris
De grauwe vliegenvanger is een onopvallend grijsbruin zangvogeltje dat vanaf een vaste uitkijkpost insecten in de lucht vangt en daarna terugkeert naar dezelfde tak. In het gidsgebied broedt hij in de bossen en tuinen van de Maghreb en de Levant, en trekt hij in groten getale door het hele gebied naar Afrika ten zuiden van de Sahara.
Geluid
Weinig zang: een zacht, krassend reeksje hoge piepjes. De roep is een scherp, hoog tsiiep, en bij onrust tsie-tek-tek.
Opname: Philippe Grange — CC0 · omgezet naar mono · xeno-canto
Herkenning
13,5–15 cm. Bovendelen grijsbruin, de kruin fijn donker gestreept, de keel en borst vuilwit met vage grijsbruine streepjes, de buik wit. Vleugels met lichte zomen aan de tertials en een smalle lichte vleugelstreep. Vrij lange vleugels met een duidelijke handpenprojectie. De snavel is zwart, breed aan de basis, de poten kort en zwart. De seksen zijn gelijk; jonge vogels zijn boven licht gevlekt. Zit opvallend rechtop, vliegt met een korte boog uit naar een insect en keert vaak naar dezelfde zitplaats terug, met een karakteristiek trekje van vleugels en staart.
Verwarringssoorten
De gambagavliegenvanger (Muscicapa gambagae) uit Zuidwest-Arabië is kleiner, met een korter vleugelpunt, een ongestreepte, effen kruin en vagere, meer vlekkerige borsttekening. Vrouwtjes en jonge vogels van de bonte vliegenvanger (Ficedula hypoleuca), de withalsvliegenvanger (Ficedula albicollis) en de balkanvliegenvanger (Ficedula semitorquata) hebben een witte vleugelvlek en een ongestreepte borst.
Leefgebied
In de broedtijd open bos met oude bomen, bosranden, parken, olijfgaarden, boomgaarden en dorpen; in de Atlas tot in het cederbos. Op de trek elke plek met bomen of struiken: oases, dadelpalmtuinen, wadi's met acacia's, stadsparken en tuinen tot midden in de woestijn. Eet vliegende insecten.
Waar de vogel het meest zit, ingedeeld naar de leefgebieden van Noord-Afrika en het Midden-Oosten.
Verspreiding en trek
Broedt in Marokko, het noorden van Algerije en Tunesië en in het noordwesten en noordoosten van Libië (Jebel Akhdar), en in de Levant: Israël (schaars), Libanon, Syrië en het noorden van Jordanië, verder in Noord-Irak. Op de trek talrijk door het hele gebied, ook door de Sahara, Egypte, de Sinaï, Saoedi-Arabië, Jemen (ook Socotra), Oman en de Golfstaten; in het najaar vaak de talrijkste vliegenvanger op trek. Overwintert in Afrika ten zuiden van de Sahara, tot in Zuid-Afrika. Daarbuiten broedt hij door heel Europa en West-Azië tot Centraal-Siberië en Mongolië.
- Zomergast (ca. apr–sep)
- Wintergast (ca. okt–mrt)
- Doortrek (mrt–apr, okt–nov)
- donker = kerngebied, licht = dun verspreid
Hoe en wanneer kijken
Op de najaarstrek in september in elk stadspark of hotelterrein van de Golfstaten, Egypte of Eilat: zoek een grijsbruin vogeltje dat van een lage tak uitvliegt en terugkeert. In de broedtijd in de cederbossen van de Middel-Atlas rond Ifrane en Azrou.
Staat van instandhouding
Wereldwijd niet bedreigd, maar in grote delen van Europa sterk afgenomen, mogelijk door verslechterende omstandigheden in de Afrikaanse overwinteringsgebieden en minder insecten. Op de trek wordt hij in het gebied plaatselijk met netten of lijmstokken gevangen.
Wetenschappelijke naam
Muscicapa striata | (Pallas, 1764)
Pallas beschreef de soort in 1764 als Motacilla striata; omdat ze later in een ander geslacht is geplaatst, staan auteur en jaartal tussen haakjes. Het geslacht Muscicapa werd in 1760 ingevoerd door Brisson. Muscicapa is Latijn, van musca 'vlieg' en capere 'vangen'. striata is Latijn voor 'gestreept', van striatus, naar de streping op kruin en borst. Het eerst beschreven exemplaar kwam uit Holland.


