Alle soorten › Pelikaanachtigen › Ibissen en lepelaars › Zwarte ibis
Zwarte ibis | Plegadis falcinellus
Glossy Ibis | Morito común
Een donkere, slanke ibis met een lange gebogen snavel, die in vlucht als een rij zwarte kruisjes met gestrekte hals en poten voorbijtrekt. In het gidsgebied broedt hij in enkele moerassen van Noord-Afrika en Zuid-Irak, maar als doortrekker en wintergast is hij overal te zien, van de Marokkaanse merja's tot de oases van Arabië.
Geluid
Meestal stil. In kolonies en bij het opvliegen een laag, schor grrr of een nasaal, krassend kraa-kraa.
Opname: Xavier Riera — CC BY-NC-SA 4.0 · omgezet naar mono · xeno-canto
Herkenning
Middelgroot, met lange poten, lange hals en een lange, gelijkmatig neergebogen snavel. In de broedtijd zijn kop, hals en lichaam diep kastanjebruin en glanzen de vleugels metaalgroen en purper; een smalle blauwwitte lijn omzoomt de kale teugel. In winterkleed is de kop donker met fijne witte streepjes en is het lichaam doffer. Jonge vogels zijn doffer bruin met weinig glans en lichte vlekjes op kop en hals. Snavel bruin, poten donker groenbruin. Vliegt met gestrekte hals en uitstekende poten, afwisselend klappend en glijdend, vaak in rijen of losse V's.
Verwarringssoorten
Op afstand en tegen het licht kan hij aan een aalscholver (Phalacrocorax carbo) of een wulp (Numenius arquata) doen denken, maar de combinatie van donker verenkleed, gebogen snavel en lange poten is uniek. De heremietibis (Geronticus eremita) is groter en forser, met een kale rode kop, rode snavel en poten en een ruige nekkraag, en leeft op droge steppen en kliffen in plaats van in moerassen. Een jonge heilige ibis (Threskiornis aethiopicus) heeft een lichter, vuilwit lichaam.
Leefgebied
Zoetwatermoerassen met ondiep water, overstroomde graslanden, rijstvelden, visvijvers, rivieroevers en de randen van lagunes; op doortrek ook irrigatieland, rioolwaterplassen en oases. Zoekt tastend in modder en ondiep water naar insectenlarven, slakken, wormen en kleine vissen. Broedt in gemengde kolonies met reigers in riet, tamarisken of struiken boven water.
Waar de vogel het meest zit, ingedeeld naar de leefgebieden van Noord-Afrika en het Midden-Oosten.
Verspreiding en trek
In Noord-Afrika broedt hij plaatselijk in Noordwest-Marokko en in de moerassen van Noordoost-Algerije (rond El Kala en het meer van Fetzara); in Tunesië en Libië vooral doortrekker. In Egypte overwintert en trekt hij door in de Nijldelta en de Nijlvallei. In het oosten broedt hij in de moerassen van Zuid-Irak en plaatselijk in Syrië, en een enkele keer in Israël. Op doortrek, vooral in april – mei en augustus – oktober, verschijnt hij in vrijwel alle landen van het gebied, ook op oases, irrigatievelden en rioolwaterplassen in Arabië; kleine aantallen overwinteren in Israël, langs de Perzische Golf en in Oman. Daarbuiten broedt hij verspreid in Zuid- en Oost-Europa, Centraal- en Zuid-Azië, Afrika, Australië en het oosten van Amerika; de Europese vogels overwinteren grotendeels in de Sahel en West-Afrika.
- Jaarrond
- Zomergast (ca. apr–sep)
- Wintergast (ca. okt–mrt)
- Doortrek (mrt–apr, okt–nov)
- donker = kerngebied, licht = dun verspreid
Hoe en wanneer kijken
In april en mei trekken groepen langs de Jordaanvallei en rusten op de visvijvers van de Hula- en Beit She'an-vallei, vaak samen met reigers. In Egypte foerageert hij 's winters in de rijstvelden en kanalen van de Nijldelta. Een rij donkere vogels met lange, neergebogen snavels die laag over een moeras trekt is vrijwel altijd deze soort.
Staat van instandhouding
Wereldwijd niet bedreigd en in West-Europa en Noord-Afrika de laatste decennia in opmars; de Marokkaanse en Algerijnse broedvogels zijn waarschijnlijk deels uit Spanje afkomstig. In het gebied hangt de soort af van moerassen die onder druk staan door drooglegging, waterwinning en verdroging, vooral in Irak, waar het gedeeltelijke herstel van de moerassen na 2003 ook deze soort ten goede kwam.
Wetenschappelijke naam
Plegadis falcinellus | (Linnaeus, 1766)
Linnaeus beschreef de soort in 1766 als Tantalus Falcinellus; omdat ze later in een ander geslacht is geplaatst, staan auteur en jaartal tussen haakjes. Het geslacht Plegadis werd in 1829 ingevoerd door Kaup. Plegadis is Grieks, van plēgas, plēgados 'sikkel', naar de kromme snavel. falcinellus is een Latijnse verkleinvorm van falx, falcis 'sikkel': 'sikkeltje', eveneens naar de snavel. Het eerst beschreven exemplaar kwam uit Java en Sulawesi.


