Alle soorten › Pelikaanachtigen › Ibissen en lepelaars › Heremietibis
Heremietibis | Geronticus eremita
Northern Bald Ibis | Ibis eremita
Een van de zeldzaamste vogels van het gebied: een zwarte ibis met een kale rode kop en een ruige nekkraag, die nog alleen aan de Atlantische kust van Zuidwest-Marokko in het wild broedt. De vogels nestelen op richels in zeekliffen en foerageren in groepen op de kale kuststeppe, vaak tussen schapen en geiten.
Geluid
Bij de kolonie een keelachtig, schor hjoh of chrup, en bij begroetingen een reeks gorgelende en kakelende geluiden; elders meestal stil.
Opname: SonoNatura — CC BY-NC-SA 4.0 · omgezet naar mono · xeno-canto
Herkenning
Groot en gedrongen, met korte poten voor een ibis. Het verenkleed is zwart met een metaalgroene en purperen glans en een koperkleurige vlek op de bovenvleugel; de lange, smalle veren van de achterhals vormen een rafelige kraag. Kop en keel zijn kaal en roodachtig, bij oude vogels met een donkere kruin; snavel lang, gebogen en rood, poten roze-rood. Jonge vogels hebben een bevederde, grijze kop, een doffere snavel en weinig glans. Vliegt met krachtige vleugelslagen en brede, ver gevingerde vleugels, vaak in groepen in formatie.
Verwarringssoorten
De zwarte ibis (Plegadis falcinellus) is slanker en langer van poot, met een donkere snavel en bevederde kop, en leeft in moerassen. Jonge heremietibissen met hun grijze kop kunnen op een donkere ibis lijken, maar zijn plomper en korter van poot. In vlucht op afstand kan een groep op kraaien of aalscholvers (Phalacrocorax carbo) lijken, tot de gebogen snavels zichtbaar worden.
Leefgebied
Broedt op richels en in nissen van kustkliffen en rotswanden, in Marokko op enkele kilometers van zee. Foerageert op open, kaal of kort begroeid terrein: kuststeppe, braakliggende akkers, beweide velden en zandige vlakten, waar hij met de snavel in de grond naar kevers, larven, sprinkhanen en hagedissen zoekt. Drinkt en baadt in riviermondingen en bij bronnen.
Waar de vogel het meest zit, ingedeeld naar de leefgebieden van Noord-Afrika en het Midden-Oosten.
Verspreiding en trek
In het wild nog alleen in Zuidwest-Marokko, in het Nationaal Park Souss-Massa en in de kliffen van Tamri en omgeving ten noorden van Agadir. De vogels blijven het hele jaar in deze kuststrook en zwerven buiten de broedtijd langs de kust; incidenteel worden vogels verder noordelijk gezien, zoals bij Larache, deels mogelijk afkomstig uit de uitgezette populatie in Andalusië. Vroeger broedde de soort in Marokko ook in de Midden- en Hoge Atlas, in Algerije en in het Midden-Oosten. In Syrië werd in 2002 bij Palmyra een restkolonie van enkele paren ontdekt, die rond 2014 verdween; deze oostelijke vogels overwinterden in de hooglanden van Ethiopië en trokken via Saoedi-Arabië en Jemen, waar zenderdragers en losse vogels werden vastgesteld. In Jordanië, Israël en elders in Arabië is de soort nu een zeer zeldzame dwaalgast. Daarbuiten bestaan halfwilde en uitgezette populaties in Turkije (Birecik), Spanje en Midden-Europa.
- Jaarrond
- Zomergast (ca. apr–sep)
- Wintergast (ca. okt–mrt)
- Doortrek (mrt–apr, okt–nov)
- donker = kerngebied, licht = dun verspreid
Hoe en wanneer kijken
De vogels zijn het best te zien in de kuststreek tussen Agadir en Tamri en in het Nationaal Park Souss-Massa, vooral in de vroege ochtend wanneer groepen op de steppe of op akkers foerageren. Blijf op afstand van de kolonies en ga niet zelf naar de kliffen: de parkwachters weten waar de groepen zitten en verstoring van de broedplaatsen is een van de grootste bedreigingen.
Staat van instandhouding
Bedreigd. Na een eeuwenlange achteruitgang bleef alleen de Marokkaanse populatie over, die dankzij bewaking van de kolonies, het aanleggen van drinkplaatsen en samenwerking met de lokale bevolking groeide tot een record van 147 broedparen in 2018; daarop werd de soort in 2018 van Ernstig bedreigd naar Bedreigd teruggezet. De populatie is sindsdien verder gegroeid, maar blijft kwetsbaar door de geringe omvang, kustontwikkeling rond Agadir, verstoring en het verlies van foerageergebied.
Wetenschappelijke naam
Geronticus eremita | (Linnaeus, 1758)
Linnaeus beschreef de soort in 1758 als Upupa Eremita; omdat ze later in een ander geslacht is geplaatst, staan auteur en jaartal tussen haakjes. Het geslacht Geronticus werd in 1832 ingevoerd door Wagler. Geronticus komt van het Griekse gerōn 'oude man' en zinspeelt op de kale, gerimpelde kop. eremita is laat-Latijn voor 'kluizenaar', van Grieks erēmia 'woestijn', naar de dorre streken waar de vogel leeft. Het eerst beschreven exemplaar kwam uit Zwitserland.


