Alle soorten › Zangvogels › Gorzen › Zevenstrepengors

Zevenstrepengors | Emberiza tahapisi

Cinnamon-Breasted Bunting | Escribano canelo

De zevenstrepengors is een Afrikaanse gors die in het gidsgebied alleen in het zuidwesten van Arabië en op Socotra leeft. Het mannetje valt op door de zwarte kop met zeven witte strepen boven een diep kaneelbruine onderkant; op rotsige hellingen is het een van de gewone kleine zangvogels.

Zevenstrepengors (Emberiza tahapisi)
Foto: Derek Keats from Johannesburg, South Africa — CC BY 2.0 · Wikimedia Commons

Geluid

De zang is een kort, snel en ratelend zinnetje, tsjip-tsjirrie-tsjirrie of trrp-trie-trie-trie, vele malen achter elkaar herhaald vanaf een rots of lage tak, vooral na regen. De roep is een zacht, nasaal pie-wie of een dun tsiet.

Luister: ZangXC996218

Opname: bert de bruin — CC BY-NC-SA 4.0 · omgezet naar mono · xeno-canto

Herkenning

14 cm. Het mannetje heeft een zwarte kop en keel met smalle witte strepen: een witte kruinstreep en aan elke kant een witte wenkbrauwstreep en een witte streep onder het oog. Mantel en rug zijn kaneelbruin met donkere strepen, de vleugeldekveren roestbruin met donkere centra, zonder witte vleugelstrepen. Borst, buik en flanken zijn diep kaneelbruin. De bovensnavel is donker, de ondersnavel geelachtig. Het vrouwtje is doffer, met een bruine kop met bleke bruingele strepen en een grijsbruin gestreepte keel. Jonge vogels lijken op het vrouwtje. De Arabische vorm arabica is iets bleker dan Afrikaanse vogels; de eilandvorm insularis op Socotra is klein en donker.

Verwarrings­soorten

De gestreepte gors (Emberiza striolata) leeft deels in hetzelfde terrein, maar heeft een grijze, fijn gestreepte keel en borst in plaats van zwart, een grijzere kop met minder contrast en lichtere oranjebruine onderdelen; hij zit vaker rond dorpen en in droger, kaler terrein. Op Socotra heeft de socotragors (Emberiza socotrana) een witte keel, lichte onderdelen en twee lichte vleugelstrepen.

Leefgebied

Rotsige, met stenen bezaaide berghellingen en heuvels met verspreide acacia’s en struiken, wadi-oevers, terrassen en de randen van akkertjes in het bergland, van de laagvlakte tot hoog in de bergen. Foerageert op de grond op zaden en in de broedtijd op insecten. Op Socotra vooral op rotsige hellingen en in kalksteenterrein in het lage en middelhoge deel van het eiland.

Waar de vogel het meest zit, ingedeeld naar de leefgebieden van Noord-Afrika en het Midden-Oosten.

Verspreiding en trek

In het gidsgebied in de bergen van het zuidwesten van Saoedi-Arabië (Hidjaz en Asir, ongeveer vanaf Taif zuidwaarts), in het westen en zuiden van Jemen, in Dhofar in het zuiden van Oman en op Socotra. Daarbuiten wijdverbreid in Afrika ten zuiden van de Sahara, van de Sahel en Ethiopië tot zuidelijk Afrika.

  • Jaarrond
  • Zomergast (ca. apr–sep)
  • Wintergast (ca. okt–mrt)
  • Doortrek (mrt–apr, okt–nov)
  • donker = kerngebied, licht = dun verspreid
Dichtheidskaart uit de waarnemingen van GBIF (2006-10-01 – 2026-09-30), geteld per hokje van 0,7° en per maand en gedeeld door alle vogelwaarnemingen in datzelfde hokje — zo telt niet mee hoeveel vogelaars er kijken. De kleurdiepte volgt dat aandeel en loopt geleidelijk af; de kaart houdt zich dus niet aan landsgrenzen. Landcontouren: Natural Earth (publiek domein).

Hoe en wanneer kijken

In de Asir rond Abha en op de hellingen in Dhofar boven Salalah zijn zingende mannetjes in het voorjaar en na de moesson goed te vinden. Let op het ratelende liedje vanaf een rotsblok en de kaneelbruine borst wanneer de vogel opvliegt; op de grond is hij tussen de stenen verrassend goed gecamoufleerd.

Staat van instandhouding

Wereldwijd niet bedreigd en in Afrika wijdverbreid. In Arabië plaatselijk algemeen in geschikt bergterrein; er zijn geen aanwijzingen voor duidelijke achteruitgang. De indeling is nog in beweging: sommige auteurs beschouwen de vormen van Arabië en Socotra als aparte ondersoorten met een eigen geschiedenis.

Wetenschappelijke naam

Emberiza tahapisi | Smith, 1836

Smith beschreef de soort in 1836 en plaatste haar meteen in het geslacht waarin ze nog altijd staat. Het geslacht Emberiza werd in 1758 ingevoerd door Linnaeus. Emberiza komt uit het Oudhoogduits, van Embritz, een naam voor een gors. tahapisi gaat terug op het Setswana-woord 'thagapitse', dat voor verschillende gorzen en vinkachtigen wordt gebruikt. Het eerst beschreven exemplaar kwam uit bronnen van de Vaal, Mpumalanga, Zuid-Afrika.