Alle soorten › Zangvogels › Vliegenvangers › Withalsvliegenvanger
Withalsvliegenvanger | Ficedula albicollis
Collared Flycatcher | Papamoscas collarino
De withalsvliegenvanger trekt tussen Midden-Europa en het zuiden van Afrika en kruist het gidsgebied vooral in het voorjaar, over Libië, Egypte en de Levant. Een mannetje in broedkleed met zijn helderwitte halsband is dan een van de opvallendste doortrekkers in oases en kibboetstuinen.
Geluid
Doortrekkers roepen een dun, langgerekt, iets dalend siep, anders dan het korte bit van de bonte vliegenvanger. De zang, in het voorjaar soms ook van doortrekkers, is een trage strofe van hoge, geknepen, wat klagende tonen.
Opname: Walter Wallner — CC BY-NC-SA 4.0 · ingekort tot de eerste 60 s, mono · xeno-canto
Herkenning
12–13,5 cm. Iets forser dan de bonte vliegenvanger, met dezelfde gewoonte om met vleugels en staart te tikken. Het mannetje in voorjaarskleed is diepzwart boven en wit onder, met een brede, volledige witte halsband die de nek rondom afsluit, een groot wit voorhoofdsvlak, een grote witte stuit die bij wegvliegen opvalt en een groot wit vleugelveld dat ver over de handpenbasis doorloopt. Het vrouwtje is grijsbruin boven en vuilwit onder, vaak met een vage lichtere halszijde, een grijzige stuit en een duidelijke witte vlek aan de handpenbasis, groter dan bij de bonte vliegenvanger. In het najaar lijken mannetjes op vrouwtjes, maar ze houden zwarte vleugels.
Verwarringssoorten
De balkanvliegenvanger (Ficedula semitorquata) heeft maar een halve halsband, een kleinere grijswitte stuit en een tweede witte vleugelstreep over de middelste dekveren. De bonte vliegenvanger (Ficedula hypoleuca) en de atlasvliegenvanger (Ficedula speculigera) hebben geen halsband en een zwarte stuit; vooral bij vrouwtjes en najaarsvogels geeft de grootte van de witte handpenvlek de doorslag. Hybriden met de bonte en de balkanvliegenvanger komen voor.
Leefgebied
Op de trek in oases, dadelpalmtuinen, olijf- en citrusboomgaarden, kibboetstuinen, parken, oeverbos en tamariskbosjes langs de kust; vaak ook op kleine groene plekken in de woestijn na een nacht met tegenwind. Broedt buiten het gebied in oud loofbos en parken met holtes en nestkasten.
Waar de vogel het meest zit, ingedeeld naar de leefgebieden van Noord-Afrika en het Midden-Oosten.
Verspreiding en trek
In het voorjaar een geregelde en plaatselijk talrijke doortrekker in Libië (vooral Cyrenaica en de kust van Tripolitanië), Egypte (de Westelijke Woestijn, de Nijlvallei en de Sinaï) en Israël, waar hij eind maart en april een gewone verschijning is; ook in Jordanië, Libanon, Syrië. In Tunesië en Algerije een geregelde, in Marokko een schaarse voorjaarsdoortrekker. In het najaar overal schaars, omdat de meeste vogels dan in één vlucht over de Middellandse Zee en de Sahara trekken. Op het Arabisch Schiereiland zeldzaam: enkele gevallen bij Tabuk in Noordwest-Saoedi-Arabië en in Koeweit, en een eerste geval in de Emiraten in oktober 2015. Daarbuiten broedt hij van Oost-Frankrijk en Italië door Midden- en Oost-Europa tot West-Rusland, ook op Gotland en Öland, en overwintert hij in het zuiden van Centraal-Afrika, van Zuid-Congo tot Zambia en Zimbabwe.
- Doortrek (mrt–apr, okt–nov)
- donker = kerngebied, licht = dun verspreid
Hoe en wanneer kijken
Bezoek eind maart en begin april Eilat, de Arava of de kibboetsen langs de Dode Zee, of in Egypte de oases van de Westelijke Woestijn: in kleine boomgroepen zitten dan soms meerdere mannetjes tegelijk. Kijk bij elk zwart-wit mannetje naar de nek en naar de stuit wanneer hij wegvliegt.
Staat van instandhouding
Wereldwijd niet bedreigd. In het broedgebied afhankelijk van oud loofbos met holtes; nestkasten helpen. Op de trek kwetsbaar voor droogte in de Sahara en het verdwijnen van groene rustplaatsen, en in delen van Noord-Afrika voor vangst met netten en lijmstokken.
Wetenschappelijke naam
Ficedula albicollis | (Temminck, 1815)
Temminck beschreef de soort in 1815 als Muscicapa albicollis; omdat ze later in een ander geslacht is geplaatst, staan auteur en jaartal tussen haakjes. Het geslacht Ficedula werd in 1760 ingevoerd door Brisson. Ficedula is Latijn voor een klein vijgenetend vogeltje, van ficus 'vijg'; men meende dat het zich in de winter in een zwartkop veranderde. albicollis is Latijn albus 'wit' en collum 'hals', naar de witte halsband van het mannetje. Het eerst beschreven exemplaar kwam uit Europa (niet nader vermeld in de oorspronkelijke beschrijving).


