Alle soorten › Zangvogels › Vliegenvangers › Bonte vliegenvanger

Bonte vliegenvanger | Ficedula hypoleuca

European Pied Flycatcher | Papamoscas cerrojillo

De bonte vliegenvanger is in het westen van het gidsgebied een van de talrijkste doortrekkers: in het voorjaar en vooral in de nazomer trekken grote aantallen door de Maghreb, op weg tussen Europa en West-Afrika. In Egypte en de Levant is hij nog algemeen, in Arabië schaars.

Bonte vliegenvanger (Ficedula hypoleuca)
Foto: Lars Falkdalen Lindahl from Sweden — CC BY-SA 2.0 · Wikimedia Commons

Geluid

De roep is een kort, scherp bit of pik, vaak gecombineerd met een droog tek. De zang, in het voorjaar ook van doortrekkers, is een ritmische strofe die heen en weer springt tussen twee toonhoogtes en eindigt met een opgaand slot, zie-tu zie-tu zie-tu sie-sie.

Luister: ZangXC1168584

Opname: Stanislas Wroza — CC BY-NC-SA 4.0 · ingekort tot de eerste 60 s, mono · xeno-canto

Herkenning

12–13 cm. Klein, compact en kortstaartig; zit rechtop op een lage tak, valt uit naar insecten en tikt na het landen met één vleugel en de staart. Het mannetje in voorjaarskleed is zwart tot zwartbruin boven en wit onder, met een klein, vaak tweedelig wit voorhoofdsvlak, een wit vleugelveld op de grote dekveren en tertials en weinig of geen wit aan de handpenbasis. De kleur van de bovendelen varieert sterk: veel mannetjes, vooral uit Noord- en Oost-Europa, zijn grijsbruin in plaats van zwart. Het vrouwtje en najaarsvogels zijn grijsbruin boven en vuilwit onder, met een witte vleugelstreep en witte tertialzomen en vaak een kleine lichte vlek aan de handpenbasis.

Verwarrings­soorten

De atlasvliegenvanger (Ficedula speculigera), broedvogel in de bergbossen van de Maghreb, heeft bij het mannetje dieper zwarte bovendelen, een groter, meestal ongedeeld voorhoofdsvlak en veel wit aan de handpenbasis; vrouwtjes zijn in het veld niet zeker te scheiden. De withalsvliegenvanger (Ficedula albicollis) heeft een volledige witte halsband en een witte stuit, de balkanvliegenvanger (Ficedula semitorquata) een halve halsband en een tweede witte vleugelstreep. De grauwe vliegenvanger (Muscicapa striata) is langer, grijsbruin en gestreept, zonder wit in de vleugel.

Leefgebied

Op de trek in elk gebied met bomen of struiken: olijfgaarden, citrusboomgaarden, bosjes, parken en tuinen langs de kust, oeverbos, oases en dadelpalmtuinen in de Sahara en kleine groene plekken in de woestijn. In de nazomer in grote aantallen in de kurkeik- en cederbossen van de Maghreb. Eet vooral vliegende insecten, rupsen en spinnen.

Waar de vogel het meest zit, ingedeeld naar de leefgebieden van Noord-Afrika en het Midden-Oosten.

Verspreiding en trek

Een talrijke doortrekker in Marokko, inclusief de Westelijke Sahara, Algerije en Tunesië, zowel langs de kust als in de Atlas en de oases van de Sahara; in het voorjaar vooral midden april tot midden mei, in het najaar augustus tot begin oktober. Ook algemeen in Libië en Egypte, en in Israël, Jordanië, Libanon en Syrië een gewone doortrekker in april – mei en september. Op het Arabisch Schiereiland en in Irak schaars tot zeldzaam, met geregelde maar kleine aantallen in Oman en enkele gevallen in Saoedi-Arabië, de Emiraten en Koeweit. Een enkele vogel overwintert in Marokko of Egypte. Daarbuiten broedt hij van Spanje en Groot-Brittannië door Midden- en Noord-Europa tot West-Siberië, en overwintert hij in West-Afrika ten zuiden van de Sahara.

  • Jaarrond
  • Zomergast (ca. apr–sep)
  • Wintergast (ca. okt–mrt)
  • Doortrek (mrt–apr, okt–nov)
  • donker = kerngebied, licht = dun verspreid
Dichtheidskaart uit de waarnemingen van GBIF (2006-10-01 – 2026-09-30), geteld per hokje van 0,7° en per maand en gedeeld door alle vogelwaarnemingen in datzelfde hokje — zo telt niet mee hoeveel vogelaars er kijken. De kleurdiepte volgt dat aandeel en loopt geleidelijk af; de kaart houdt zich dus niet aan landsgrenzen. Landcontouren: Natural Earth (publiek domein).

Hoe en wanneer kijken

In het najaar zijn de olijfgaarden en tuinen van de Marokkaanse Atlantische kust, zoals rond Agadir en het Sous-Massagebied, of de oases van de Draa en de Tafilalt goede plekken: in sommige bosjes zitten dan tientallen bonte vliegenvangers. In het voorjaar loont een ochtend in een oase na een nacht met tegenwind.

Staat van instandhouding

Wereldwijd niet bedreigd, maar in delen van Europa sterk achteruitgegaan, onder meer doordat de piek in rupsen in het broedgebied door klimaatverandering vroeger valt dan de aankomst van de vogels. Op de trek kwetsbaar voor droogte in de Sahel en de Sahara en voor het verlies van groene rustplaatsen.

Wetenschappelijke naam

Ficedula hypoleuca | (Pallas, 1764)

Pallas beschreef de soort in 1764 als Motacilla hypoleuca; omdat ze later in een ander geslacht is geplaatst, staan auteur en jaartal tussen haakjes. Het geslacht Ficedula werd in 1760 ingevoerd door Brisson. Ficedula is Latijn voor een klein vijgenetend vogeltje, van ficus 'vijg'; men meende dat het zich in de winter in een zwartkop veranderde. hypoleuca is Grieks, van hupo 'onder' en leukos 'wit': wit van onderen. Het eerst beschreven exemplaar kwam uit Holland.