Alle soorten › Zangvogels › Goudhaantjes › Vuurgoudhaantje
Vuurgoudhaantje | Regulus ignicapilla
Common Firecrest | Reyezuelo listado
Het vuurgoudhaantje is samen met het goudhaantje de kleinste vogel van het gidsgebied. In de bergbossen van de Maghreb is het een algemene standvogel, de enige goudhaan die hier broedt; in de Levant verschijnt het alleen 's winters in kleine aantallen.
Geluid
De roep is een hoog zi of zizizi, iets lager en scherper dan bij het goudhaantje. De zang is een korte, snelle reeks hoge, gelijke tonen die versnelt en aanzwelt, zi-zi-zi-zi-zizizizirrr, zonder de afsluitende krul van het goudhaantje.
Opname: Philippe Grange — CC0 · omgezet naar mono · xeno-canto
Herkenning
9–10 cm. Piepklein en bolrond, met een fijn snaveltje. Bovendelen helder groen met een bronskleurige zweem op de halszijden, onderdelen wit tot grijswit; twee witte vleugelstrepen. Het gezicht is sterk getekend: een brede witte wenkbrauwstreep, een zwarte oogstreep en een smalle donkere baardstreep. De kruinstreep is bij het mannetje oranjerood, bij het vrouwtje geel, aan beide zijden zwart omzoomd. Jonge vogels missen de kruinstreep maar hebben al de gezichtstekening. De vorm in Noord-Afrika is balearicus, iets bleker van onderen.
Verwarringssoorten
Het goudhaantje (Regulus regulus) heeft een vlak gezicht zonder witte wenkbrauwstreep en zwarte oogstreep, met een donker oog in een lichte ring, en is doffer groen zonder bronzen halsvlek. Pallas' boszanger (Phylloscopus proregulus) en de bladkoning (Phylloscopus inornatus) hebben een lichte kruinstreep of wenkbrauwstreep maar zijn groter, langstaartiger, zonder oranje of gele kruin.
Leefgebied
In Noord-Afrika vooral bergbos: atlasceder, steeneik en kurkeik, zeeden en gemengd bos met jeneverbes, van ongeveer 500 tot boven 2000 m; ook in maquis en hoger struikgewas. In de winter ook lager in olijfgaarden, tuinen en struweel. In de Levant 's winters in naaldbos, maquis en tuinen.
Waar de vogel het meest zit, ingedeeld naar de leefgebieden van Noord-Afrika en het Midden-Oosten.
Verspreiding en trek
In Marokko algemeen in de Rif, de Midden-Atlas en de Hoge Atlas en in de bossen van het noordwesten. In Algerije in het noorden, in de Tell-Atlas, Kabylië en de Aurès. In Tunesië in de bergbossen van het noorden, vooral in de Kroumirie. In de Levant een schaarse wintergast in Libanon, Syrië en het noorden van Israël, met enkele waarnemingen verder zuidelijk. Daarbuiten broedt de soort in West- en Midden-Europa, op de Balearen en in Turkije en de Kaukasus.
- Jaarrond
- Zomergast (ca. apr–sep)
- Wintergast (ca. okt–mrt)
- Doortrek (mrt–apr, okt–nov)
- donker = kerngebied, licht = dun verspreid
Hoe en wanneer kijken
In de cederbossen rond Ifrane en Azrou in de Midden-Atlas is het vuurgoudhaantje vrijwel overal te horen; volg het hoge zizizi naar de buitenste takjes. In Tunesië is Aïn Draham een goede plek.
Staat van instandhouding
Wereldwijd niet bedreigd. In de Maghreb algemeen in de bergbossen, al gaan oude ceder- en eikenbossen achteruit door houtkap, overbegrazing en bosbranden.
Wetenschappelijke naam
Regulus ignicapilla | (Temminck, 1820)
Temminck beschreef de soort in 1820 als Sylvia ignicapilla; omdat ze later in een ander geslacht is geplaatst, staan auteur en jaartal tussen haakjes. Het geslacht Regulus werd in 1800 ingevoerd door Cuvier, GLCFD. Regulus is Latijn voor 'koninkje', een verkleinvorm van rex 'koning', naar de gouden kruinstreep. ignicapilla is Latijn, van ignis 'vuur' en capillus 'hoofdhaar', naar de vuurrode kruinstreep. Het eerst beschreven exemplaar kwam uit Frankrijk, België en Duitsland.

