Alle soorten › Zangvogels › Goudhaantjes › Goudhaantje

Goudhaantje | Regulus regulus

Goldcrest | Reyezuelo sencillo

Het goudhaantje, met het vuurgoudhaantje de kleinste vogel van het gidsgebied, is hier een wintergast aan de zuidrand van zijn enorme areaal. Het verschijnt in de koude maanden in de bergbossen van Libanon, Syrië en Noord-Israël, in wisselende aantallen.

Goudhaantje (Regulus regulus)
Foto: gailhampshire from Cradley, Malvern, U.K — CC BY 2.0 · Wikimedia Commons

Geluid

De roep is een zeer hoog, dun sri-sri-sri, voor sommige mensen nauwelijks hoorbaar. De zang, ook in de winter soms te horen, is een ritmisch herhaald, hoog sie-sesie-sesie-sesie dat eindigt in een korte krul.

Luister: ZangXC1151367

Opname: Lars Edenius — CC BY-NC-SA 4.0 · omgezet naar mono · xeno-canto

Herkenning

8,5–9,5 cm. Piepklein en bolrond, met een fijn snaveltje en een groot, donker oog. Bovendelen dof olijfgroen, onderdelen vuilwit met een gelige of grijze zweem; twee witte vleugelstrepen en een donkere vlek achter de vleugelstreep. Het gezicht is vlak, met een lichte ring om het oog en geen wenkbrauwstreep. De kruinstreep is geel, bij het mannetje met oranje in het midden, aan beide zijden zwart omzoomd. Jonge vogels hebben nog geen kruinstreep. De vogels in het gebied behoren waarschijnlijk tot de grijzere oostelijke vorm buturlini.

Verwarrings­soorten

Het vuurgoudhaantje (Regulus ignicapilla) heeft een brede witte wenkbrauwstreep en een zwarte oogstreep, een helderder groene rug en een bronskleurige vlek op de halszijde. Dwergtjiftjafs als de bladkoning (Phylloscopus inornatus) en Humes bladkoning (Phylloscopus humei) zijn groter en slanker, met een lange wenkbrauwstreep en zonder gele of oranje kruin.

Leefgebied

In de winter in naaldbos van ceder, den, zilverspar en jeneverbes in de bergen, en in gemengd bos; in invasiejaren ook in parken, tuinen, struweel en zelfs in aanplant van naaldbomen in de woestijn. Zoekt voortdurend bewegend tussen de naalden naar kleine insecten en spinnen, vaak samen met mezen.

Waar de vogel het meest zit, ingedeeld naar de leefgebieden van Noord-Afrika en het Midden-Oosten.

Verspreiding en trek

Een schaarse maar regelmatige wintergast in Libanon (vooral in de cederbossen en het naaldbos van de berg Libanon), in West-Syrië en het noorden van Israël, waar de Hermon, de Golan en Opper-Galilea de vaste plekken zijn; in sommige winters komen er duidelijk meer en worden er ook vogels verder zuidelijk gezien. Ook zeldzaam in de bergen van Noord-Irak. In Koeweit is de soort sinds het eerste geval in december 2013 enkele keren gezien; in de Maghreb, Egypte en Jordanië is ze een zeldzame dwaalgast. Daarbuiten broedt het goudhaantje van Europa en Turkije door de Kaukasus, Siberië en Centraal-Azië tot Japan; ook op de Canarische Eilanden en de Azoren.

  • Jaarrond
  • Zomergast (ca. apr–sep)
  • Wintergast (ca. okt–mrt)
  • Doortrek (mrt–apr, okt–nov)
  • donker = kerngebied, licht = dun verspreid
Dichtheidskaart uit de waarnemingen van GBIF (2006-10-01 – 2026-09-30), geteld per hokje van 0,7° en per maand en gedeeld door alle vogelwaarnemingen in datzelfde hokje — zo telt niet mee hoeveel vogelaars er kijken. De kleurdiepte volgt dat aandeel en loopt geleidelijk af; de kaart houdt zich dus niet aan landsgrenzen. Landcontouren: Natural Earth (publiek domein).

Hoe en wanneer kijken

Zoek in de winter in de cederbossen van Libanon, zoals het Shouf-cederreservaat, of op de hellingen van de Hermon; luister naar het dunne sri-sri-sri uit de kruinen en let op gemengde groepen met mezen.

Staat van instandhouding

Wereldwijd niet bedreigd. Het aantal wintergasten in het gebied schommelt sterk met het broedsucces en strenge winters in het noorden; als kleine vogel is het goudhaantje gevoelig voor koudegolven.

Wetenschappelijke naam

Regulus regulus | (Linnaeus, 1758)

Linnaeus beschreef de soort in 1758 als Motacilla Regulus; omdat ze later in een ander geslacht is geplaatst, staan auteur en jaartal tussen haakjes. Het geslacht Regulus werd in 1800 ingevoerd door Cuvier, GLCFD. Regulus is Latijn voor 'koninkje', een verkleinvorm van rex 'koning', naar de gouden kruinstreep. De soortnaam herhaalt de geslachtsnaam. Het eerst beschreven exemplaar kwam uit Zweden.