Alle soorten › Zangvogels › Vinkachtigen › Vink

Vink | Fringilla coelebs

Common Chaffinch | Pinzón vulgar

De vink is in Europa een van de talrijkste broedvogels; in het gidsgebied broedt hij alleen in de bossen van de Levant en het Koerdische bergland. In de winter komen grote aantallen Europese vinken naar Noord-Afrika en het oosten van de Middellandse Zee, waar ze in de Maghreb naast de afrikaanse vink voorkomen.

Vink (Fringilla coelebs)
Foto: Ragnhild&Neil Crawford from Sweden — CC BY-SA 2.0 · Wikimedia Commons

Geluid

De zang is een korte, versnellende en dalende strofe die met een uithaal eindigt, tsjip-tsjip-tsjip-tsjerrewiet-tsjoe, in de Levant vanaf februari. De roep is een helder pink, in vlucht een zacht joep; in het broedseizoen ook een eentonig hwiet.

Luister: ZangXC1179616

Opname: András Schmidt — CC BY-NC-SA 4.0 · omgezet naar mono · xeno-canto

Herkenning

14–16 cm. Beide geslachten hebben twee brede witte vleugelstrepen, witte buitenste staartpennen en een groenige stuit. Het mannetje heeft een blauwgrijze kruin en nek, een kastanjebruine mantel en een roze tot baksteenrode wang en borst; in de winter is dit door bruine veerranden gedempt. Het vrouwtje is egaal olijfbruin met een grijzige nek, maar met dezelfde vleugeltekening. De Levantijnse broedvogels (syriaca) zijn iets bleker van onderen dan de Europese vogels.

Verwarrings­soorten

De afrikaanse vink (Fringilla spodiogenys) heeft een mosgroene in plaats van kastanjebruine rug, een bleek zalmroze borst, een bredere witte vleugelstreep en een afgebroken witte oogring; vrouwtjes zijn lastiger en zijn vooral aan de grijzere kop en groenere rug te herkennen. De keep (Fringilla montifringilla) heeft een oranje borst en schouder en een witte stuit. Vrouwtjesvinken kunnen voor een huismus (Passer domesticus) worden aangezien, maar hebben een ongestreepte rug en de dubbele witte vleugelstreep.

Leefgebied

Broedt in eiken-, pijnboom- en cederbos, in boomgaarden en in parken in de heuvels en bergen. In de winter in olijfgaarden, akkers met bomen, oevers met tamarisken, stadsparken en tuinen, ook in de Nijldelta, vaak in groepen op de grond.

Waar de vogel het meest zit, ingedeeld naar de leefgebieden van Noord-Afrika en het Midden-Oosten.

Verspreiding en trek

Broedvogel in het noorden en midden van Israël (Galilea, Karmel, Hermon), in de bergen van Libanon en Syrië, in het noorden van Jordanië en in het Koerdische bergland van het noorden van Irak. Talrijke wintergast in de Levant en Irak; in Egypte vooral in de Nijldelta, de Nijlvallei en de Sinaï. In de Maghreb overwinteren veel Europese vinken in het noorden van Marokko, Algerije en Tunesië, tot in Libië. Schaars in Koeweit en het noorden van Saoedi-Arabië, dwaalgast in Bahrein, Qatar, de Verenigde Arabische Emiraten en Oman. Daarbuiten broedt hij in vrijwel heel Europa en West-Siberië, tot in Klein-Azië, de Kaukasus en Iran.

  • Jaarrond
  • Wintergast (ca. okt–mrt)
  • Doortrek (mrt–apr, okt–nov)
  • donker = kerngebied, licht = dun verspreid
Dichtheidskaart uit de waarnemingen van GBIF (2006-10-01 – 2026-09-30), geteld per hokje van 0,7° en per maand en gedeeld door alle vogelwaarnemingen in datzelfde hokje — zo telt niet mee hoeveel vogelaars er kijken. De kleurdiepte volgt dat aandeel en loopt geleidelijk af; de kaart houdt zich dus niet aan landsgrenzen. Landcontouren: Natural Earth (publiek domein).

Hoe en wanneer kijken

In de winter loont het in Marokko en Tunesië de vinkengroepen in olijfgaarden te bekijken: Europese vinken en afrikaanse vinken staan dan naast elkaar, en de rugkleur en de borst van de mannetjes laten het verschil direct zien.

Staat van instandhouding

Wereldwijd niet bedreigd en zeer talrijk. In de Levant is de broedpopulatie gebonden aan bossen die door kap, brand en verstedelijking onder druk staan; plaatselijk worden vinken in de winter met netten gevangen.

Wetenschappelijke naam

Fringilla coelebs | Linnaeus, 1758

Linnaeus beschreef de soort in 1758 en plaatste haar meteen in het geslacht waarin ze nog altijd staat. Het geslacht Fringilla voerde hij in datzelfde werk in. Fringilla is het Latijnse woord voor 'vink'. coelebs is Latijn voor 'ongehuwd, alleenstaand': in Zweden trokken 's winters vooral de vrouwtjes weg, zodat de mannetjes achterbleven. Het eerst beschreven exemplaar kwam uit Zweden.