Alle soorten › Zangvogels › Kwikstaarten en piepers › Oostelijke gele kwikstaart
Oostelijke gele kwikstaart | Motacilla tschutschensis
Eastern Yellow Wagtail | Lavandera boyera oriental
De oostelijke gele kwikstaart is de Siberische en Noord-Amerikaanse tegenhanger van de gele kwikstaart, sinds kort als aparte soort erkend. Hij overwintert in Zuidoost-Azië en Australië en is in het gidsgebied een dwaalgast waarvan vrijwel geen zekere gevallen bekend zijn; jonge vogels zijn alleen met roep, goede foto's of DNA te herkennen.
Geluid
De roep is een luid, raspend, schor dzriep met veel ruis, duidelijk rauwer dan het zangerige psrie van de meeste gele kwikstaarten en sterk gelijkend op de roep van de citroenkwikstaart. De zang is een eenvoudige reeks van dergelijke tonen.
Opname: David Darrell-Lambert — CC BY-NC-SA 4.0 · omgezet naar mono · xeno-canto
Herkenning
15–16 cm, vrijwel even groot als de gele kwikstaart, met zwarte poten en dezelfde korte staart. Mannetjes in zomerkleed lijken sterk op bepaalde vormen van de gele kwikstaart: grijze kop met witte wenkbrauw (tschutschensis, plexa) of groene kop met gele wenkbrauw (taivana). Vrijwel alle verdwaalde vogels zijn jong in het eerste winterkleed: koel grijsbruin van boven zonder olijfgroen, wit tot vuilwit van onderen met een schone witte keel en hooguit een gelige zweem op de onderstaart, twee lichte vleugelbanden, een vlakke koptekening met bleke wenkbrauw en donker oorveld en vaak een fijn halskettinkje. De achternagel is lang en weinig gebogen.
Verwarringssoorten
De gele kwikstaart (Motacilla flava) is het eigenlijke probleem: jonge vogels houden een olijfgroene of bruine zweem op rug of stuit, zijn geelbeige onder en geven een vol, zangerig psrie. Jonge citroenkwikstaarten (Motacilla citreola) zijn ook grijs en wit, maar hebben bredere witte vleugelbanden, een licht voorhoofd en een bleke omlijsting rond het oorveld. Omdat feldegg, die in de Levant en Irak broedt, een vergelijkbaar rauwe roep heeft, is de roep in dit gebied alleen niet genoeg; een zekere determinatie vraagt om foto's, geluidsopnamen en liefst DNA.
Leefgebied
Als dwaalgast te verwachten op dezelfde plaatsen als gele kwikstaarten: graslanden, irrigatievelden, golfbanen, rioolwaterzuiveringen en natte randen van plassen, vaak tussen groepen gele kwikstaarten in. Broedt in toendra, bosrandmoerassen en natte steppe.
Waar de vogel het meest zit, ingedeeld naar de leefgebieden van Noord-Afrika en het Midden-Oosten.
Verspreiding en trek
In het gebied een dwaalgast waarvan nauwelijks aanvaarde gevallen bekend zijn; de kans is het grootst in de Golfstaten en Oman, waar ook andere Oost-Aziatische dwaalgasten regelmatig opduiken, en tussen de grote groepen gele kwikstaarten in Israël en Egypte. Omdat de soort pas recent is afgesplitst en jonge vogels sterk op gele kwikstaarten lijken, wordt hij waarschijnlijk over het hoofd gezien. Daarbuiten broedt hij van Noord-Siberië en Kazachstan tot Mongolië, Noordoost-China, het Russische Verre Oosten en Alaska, en overwintert hij in Zuidoost-Azië, Indonesië, de Filipijnen en Noord-Australië; in West-Europa wordt hij jaarlijks in de late herfst vastgesteld.
Hoe en wanneer kijken
Luister in oktober tot december bij groepen kwikstaarten op irrigatievelden en golfbanen in de Emiraten of Oman naar een opvallend rauwe, raspende roep van een grijs-witte jonge vogel, en neem die roep op: zonder geluidsopname en foto's wordt een waarneming niet aanvaard.
Staat van instandhouding
Wereldwijd niet bedreigd. In het gidsgebied een dwaalgast uit Siberië, waarvan geen zekere gevallen bekend zijn of slechts enkele; elke waarneming verdient documentatie en een melding bij de nationale zeldzaamhedencommissie.
Wetenschappelijke naam
Motacilla tschutschensis | Gmelin, 1789
Gmelin beschreef de soort in 1789 en plaatste haar meteen in het geslacht waarin ze nog altijd staat. Het geslacht Motacilla werd in 1758 ingevoerd door Linnaeus. Motacilla was bij de Romeinen de naam van de kwikstaart; het is eigenlijk een verkleinvorm van motare 'heen en weer bewegen', maar sinds de middeleeuwen werd -cilla ten onrechte als 'staart' opgevat. tschutschensis verwijst naar het schiereiland Tsjoekotka in het uiterste oosten van Rusland, waar de eerste beschreven vogels vandaan kwamen. Het eerst beschreven exemplaar kwam uit de kust van Tsjoekotka.

