Alle soorten › Zangvogels › Rietzangers › Spotvogel

Spotvogel | Hippolais icterina

Icterine Warbler | Zarcero icterino

De spotvogel trekt in voor- en najaar door het gidsgebied tussen zijn broedgebied in Europa en West-Siberië en zijn winterkwartier in zuidelijk Afrika, maar broedt er zelf niet. Hij volgt vooral een oostelijke route, zodat hij in Egypte, Libië en de Levant veel vaker te zien is dan in de Maghreb of Arabië. Een grote, kantige, gele spotvogel met lange vleugels, meestal hoog in het blad van een boom.

Spotvogel (Hippolais icterina)
Foto: Stefan Berndtsson — CC BY 2.0 · Wikimedia Commons

Geluid

Op de trek meestal stil, maar in het voorjaar zingen doortrekkers soms al in de Levant en Egypte. De zang is een lange, snelle mengelmoes van krassende, nasale en heldere noten met veel imitaties, waarin telkens een nasaal, drieledig de-de-roid terugkeert. De roep is een hard tek of tettettet.

Luister: ZangXC1136574

Opname: Radek Grochowski — CC BY-NC-SA 4.0 · omgezet naar mono · xeno-canto

Herkenning

12–13,5 cm. Grijsgroen boven en zwavelgeel tot geelwit onder, met een open, bleek gezicht, een lange en brede snavel met oranje ondersnavel en een vlak aflopend voorhoofd dat de kop een spitse, kantige vorm geeft. De handpenprojectie is lang, ongeveer even lang als de tertials, en op de armpennen ligt een bleek vleugelpaneel dat bij verse vogels in het voorjaar goed opvalt. Poten blauwgrijs, staart recht afgesneden. Najaarsvogels, vooral jonge, zijn veel valer: grijzer boven en bijna wit onder met alleen een gele waas, zodat ze aan een vale spotvogel kunnen doen denken; het bleke vleugelpaneel en de lange vleugel blijven de sleutel.

Verwarrings­soorten

De orpheusspotvogel (Hippolais polyglotta) is het echte vraagstuk: ronder van kop, met een korte handpenprojectie van hooguit de helft van de tertials, zonder of met een vaag vleugelpaneel en met bruingrijze poten; in het oosten van het gebied is hij zeldzaam. De Griekse spotvogel (Hippolais olivetorum) is veel groter en grijs zonder geel. Vale najaarsspotvogels worden verward met de Oostelijke vale spotvogel (Iduna pallida), die kleiner en korter van vleugel is, geen geel en geen echt paneel heeft en voortdurend met de staart tikt. De fitis (Phylloscopus trochilus) is kleiner, met een fijne snavel en een duidelijke wenkbrauwstreep.

Leefgebied

Op de trek in bomen en hoog struikgewas met dicht blad: oeverbos langs de Nijl en de wadi's, boomgaarden, olijf- en dadelplantages, parken en tuinen, en in de woestijn de bomen van oases en kibboetsen. Zoekt insecten hoog in het bladerdak.

Waar de vogel het meest zit, ingedeeld naar de leefgebieden van Noord-Afrika en het Midden-Oosten.

Verspreiding en trek

Doortrekker, vooral door het oostelijk deel van het gebied. In het voorjaar (eind april – begin juni) talrijk in Noordoost-Libië (Cyrenaica) en Egypte en vrij algemeen in Israël, Jordanië, Libanon en Syrië; in het najaar (augustus – oktober) schaarser en meer verspreid, ook in Tunesië. In Marokko en Algerije schaars, in Irak en Arabië schaars tot zeldzaam, vooral in het westen van Saoedi-Arabië en in Jemen; in de Golfstaten en Oman een zeldzame gast. Hij broedt niet in het gidsgebied. Daarbuiten broedt de soort van Noordoost-Frankrijk en Scandinavië tot West-Siberië en overwintert in Afrika ten zuiden van de evenaar, van Zambia en Angola tot Zuid-Afrika.

  • Zomergast (ca. apr–sep)
  • Doortrek (mrt–apr, okt–nov)
  • donker = kerngebied, licht = dun verspreid
Dichtheidskaart uit de waarnemingen van GBIF (2006-10-01 – 2026-09-30), geteld per hokje van 0,7° en per maand en gedeeld door alle vogelwaarnemingen in datzelfde hokje — zo telt niet mee hoeveel vogelaars er kijken. De kleurdiepte volgt dat aandeel en loopt geleidelijk af; de kaart houdt zich dus niet aan landsgrenzen. Landcontouren: Natural Earth (publiek domein).

Hoe en wanneer kijken

Zoek hem in mei in de tuinen en boomgaarden van de Cyrenaica of in de bomen van een kibboets in de Arava en bij Eilat, na een nacht met noordenwind. In het najaar valt hij in Egypte en Israël soms neer in de struiken en bomen langs de kust.

Staat van instandhouding

Wereldwijd niet bedreigd en in Europa vrij talrijk, al is de soort aan de westrand van het broedgebied achteruitgegaan. In het gidsgebied een doortrekker zonder bekende bedreigingen, behalve de algemene druk op rustplaatsen langs de Sahara- en woestijnranden.

Wetenschappelijke naam

Hippolais icterina | (Vieillot, 1817)

Vieillot beschreef de soort in 1817 als Sylvia icterina; omdat ze later in een ander geslacht is geplaatst, staan auteur en jaartal tussen haakjes. Het geslacht Hippolais werd in 1827 ingevoerd door Conrad von Baldenstein. Hippolais gaat terug op het Griekse hupolais, een klein vogeltje bij Aristoteles, door Linnaeus verkeerd gespeld; het woord is mogelijk klanknabootsend of gevormd uit hupo 'onder' en laas 'steen'. icterina is Grieks voor 'geelzuchtig geel', van ikteros, dat zowel geelzucht als geelgroene vogels aanduidde, naar de gele onderdelen. Het eerst beschreven exemplaar kwam uit Frankrijk.