Alle soorten › Zangvogels › Rietzangers › Grote vale spotvogel
Grote vale spotvogel | Hippolais languida
Upcher's Warbler | Zarcero de Upcher
De grote vale spotvogel is een grote, grijze spotvogel van droge, struikrijke hellingen in het noorden van het Midden-Oosten. Hij broedt in het gidsgebied alleen in de Levant en in Noord-Irak, en trekt in voor- en najaar over het Arabisch Schiereiland naar Oost-Afrika. Kenmerkend zijn de donkere, wit omzoomde staart en de manier waarop hij die traag op en neer en zijwaarts zwaait.
Geluid
De zang is een reeks korte, karekietachtige zinnetjes met heldere, bijna fluitende noten ertussen, langzamer en zuiverder dan de snelle zang van de Oostelijke vale spotvogel. Vaak gaat hij over in een zangvlucht: traag klapwiekend omhoog en met wijd gespreide vleugels schuin omlaag. De roep is een diep tsjek of tak, vaak in korte reeksen.
Opname: isaac kilusu — CC BY-NC-SA 4.0 · ingekort tot de eerste 60 s, mono · xeno-canto
Herkenning
14–15 cm. Groter en grijzer dan de vale spotvogels, met een lange, zware snavel met oranje ondersnavel, een bleke wenkbrauwstreep voor het oog en een smalle witte oogring. Kop en nek zijn koel grijs en steken iets af tegen de bruingrijze mantel; de onderdelen zijn wit met een crème- tot grijsbeige waas over de flanken. Doorslaggevend is de staart: lang, breed en zwartbruin, met witte zomen en punten aan de buitenste pennen, zodat hij donkerder oogt dan de rug. Op de armpennen ligt een bleek paneel, de handpenprojectie is middellang. Poten stevig, grijs tot vleeskleurig grijs. Geslachten gelijk.
Verwarringssoorten
De Oostelijke vale spotvogel (Iduna pallida), waarmee hij in de Levant en Irak naast elkaar voorkomt, is kleiner en compacter, warmer bruingrijs, heeft een staart die even bruin is als de rug en tikt die met korte rukjes omlaag in plaats van hem traag rond te zwaaien. Sykes' spotvogel (Iduna rama) is veel kleiner en zandkleuriger, met een bleke staart. De Griekse spotvogel (Hippolais olivetorum) is een maat groter, nog zwaarder van snavel, met een grijze in plaats van zwartbruine staart en een opvallend wit vleugelpaneel. De braamsluiper (Curruca curruca) en andere grasmussen hebben een fijnere snavel en een donkerder kop of oorstreek.
Leefgebied
Broedt op droge, rotsige hellingen en plateaus met verspreide struiken en lage bomen: garrigue, steppe met eik, amandel, pistache en meidoorn, en verwaarloosde boomgaarden, meestal tussen 500 en 2000 m. Op de trek in acaciastruweel, wadi's, tuinen en ruigte, vaak laag in een struik.
Waar de vogel het meest zit, ingedeeld naar de leefgebieden van Noord-Afrika en het Midden-Oosten.
Verspreiding en trek
Zomergast in het noorden van het gebied: in Irak in het bergland van Koerdistan, in Syrië vooral in het westen en noorden, in Libanon op de hellingen van de Libanon en de Anti-Libanon, en in Israël als zeldzame broedvogel op de Hermon, op de noordelijke Golan en in het oosten van de Lachisj-heuvels (vroeger ook in Galilea en het heuvelland van Judea en Samaria); in Noord-Jordanië hooguit een zeldzame broedvogel. Op de trek, april – mei en augustus – september, vrij algemeen door Oost-Arabië: in Koeweit, Bahrein, Qatar, de Emiraten en Oman, en verder via Saoedi-Arabië en Jemen; in Egypte zeldzaam. Daarbuiten broedt de soort van Centraal- en Oost-Turkije door Iran tot Turkmenistan, Oezbekistan en Afghanistan, en overwintert in Oost-Afrika, van Ethiopië en Somalië tot Kenia en Tanzania.
- Zomergast (ca. apr–sep)
- Doortrek (mrt–apr, okt–nov)
- donker = kerngebied, licht = dun verspreid
Hoe en wanneer kijken
In de Emiraten en Oman duikt hij in april en mei op in parken, tuinen en acaciastruweel, bijvoorbeeld in Mushrif Park en bij Al Ansab; let op een grote grijze spotvogel die zijn donkere staart traag rondzwaait. In Israël is de Hermon in mei de beste kans op een zingende broedvogel.
Staat van instandhouding
Wereldwijd niet bedreigd. In het noorden van het gidsgebied is de soort plaatselijk zeldzaam en achteruitgaand: in Israël telt de broedpopulatie minder dan 1000 volwassen vogels en staat ze als kwetsbaar op de nationale Rode Lijst, door verlies van garrigue aan bebouwing, landbouw en bebossing en door branden. Over de aantallen in Syrië en Irak is weinig bekend.
Wetenschappelijke naam
Hippolais languida | (Hemprich & Ehrenberg, 1833)
Hemprich & Ehrenberg beschreef de soort in 1833 als Curruca languida; omdat ze later in een ander geslacht is geplaatst, staan auteur en jaartal tussen haakjes. Het geslacht Hippolais werd in 1827 ingevoerd door Conrad von Baldenstein. Hippolais gaat terug op het Griekse hupolais, een klein vogeltje bij Aristoteles, door Linnaeus verkeerd gespeld; het woord is mogelijk klanknabootsend of gevormd uit hupo 'onder' en laas 'steen'. languida is Latijn voor 'mat, loom'. Het eerst beschreven exemplaar kwam uit Syrië.


