Alle soorten › Zangvogels › Honingzuigers › Socotrahoningzuiger
Socotrahoningzuiger | Chalcomitra balfouri
Socotra Sunbird | Suimanga de Socotora
De Socotrahoningzuiger is een van de endemische vogels van Socotra en een opvallend sobere honingzuiger: beide seksen missen de metaalglans van hun familieleden. Op het eiland is hij overal te vinden, van de kust tot de hoogste bergen.
Geluid
Een luid, scherp tsjik of tsjit, vaak in een droge reeks; de zang is een snelle, kwetterende en wat scherpe reeks hoge noten en korte trillers.
Opname: Mike Evans — CC BY-NC-SA 4.0 · ingekort tot de eerste 60 s, mono · xeno-canto
Herkenning
12–13 cm. Een vrij grote, stevige honingzuiger met een lange, sterk gebogen, zwarte snavel. Beide seksen zijn grijsbruin boven en vuilwit onder, met een fijne donkere schubbing of spikkeling op keel en borst die naar de buik toe vervaagt; een vage lichte wenkbrauw en een donkere teugel. De staart is donker met lichte toppen aan de buitenste pennen. Het mannetje heeft gele borstpluimpjes, die vooral bij balts of bij het opstrijken van de vleugels zichtbaar zijn, en is wat sterker getekend op de keel. Jonge vogels zijn gelijkmatiger bruin en zwakker getekend.
Verwarringssoorten
Op Socotra komt geen andere honingzuiger voor, dus verwarring is er nauwelijks. De Socotrabrilvogel (Zosterops socotranus) is kleiner, groenig geel en heeft een korte, rechte snavel en een witte oogring. De Palestijnse honingzuiger (Cinnyris osea) en de Arabische honingzuiger (Cinnyris hellmayri) op het vasteland hebben bij het mannetje metaalglans en bij het vrouwtje een ongetekende onderzijde.
Leefgebied
Vrijwel alle begroeide habitats van Socotra: kustvlakten met Croton-struweel, droge laaglandstruwelen met flessenbomen (Adenium) en wierookbomen, de drakenbloedbossen (Dracaena cinnabari) op de kalkplateaus en het struikgewas en grasland van het Haggeher-gebergte; ook in tuinen en dadelpalmtuinen.
Waar de vogel het meest zit, ingedeeld naar de leefgebieden van Noord-Afrika en het Midden-Oosten.
Verspreiding en trek
Endemisch voor Socotra (Jemen), waar hij over het hele hoofdeiland voorkomt, van zeeniveau tot de toppen van het Haggeher-gebergte (ongeveer 1500 m). Nergens anders ter wereld.
- Wintergast (ca. okt–mrt)
- Doortrek (mrt–apr, okt–nov)
- donker = kerngebied, licht = dun verspreid
Hoe en wanneer kijken
Vrijwel elke excursie op Socotra levert de soort op, bijvoorbeeld in de drakenbloedbossen van het Diksam-plateau of in het struweel rond Hadibu. Kijk bij bloeiende Aloe en flessenbomen, waar mannetjes elkaar luidruchtig achtervolgen.
Staat van instandhouding
Wereldwijd niet bedreigd (IUCN: Least Concern). Op Socotra algemeen, maar door het kleine verspreidingsgebied gevoelig voor verlies van habitat door overbegrazing door geiten, voor de achteruitgang van de drakenbloedbossen en voor schade door cyclonen.
Wetenschappelijke naam
Chalcomitra balfouri | (Sclater & Hartlaub, 1881)
Sclater & Hartlaub beschreef de soort in 1881 als Cinnyris balfouri; omdat ze later in een ander geslacht is geplaatst, staan auteur en jaartal tussen haakjes. Het geslacht Chalcomitra werd in 1854 ingevoerd door Reichenbach. Chalcomitra komt van het Griekse khalkos, 'brons, koper', en mitra, 'hoofdband, diadeem' — naar de metaalglanzende kop- en keelveren van de mannetjes. balfouri eert de Schotse botanicus Isaac Bayley Balfour (1853–1922), die in 1880 Socotra onderzocht. Het eerst beschreven exemplaar kwam uit Socotra in Jemen.


