Alle soorten › Zangvogels › Gorzen › Smyrnagors

Smyrnagors | Emberiza cineracea

Cinereous Bunting | Escribano cinéreo

De smyrnagors is een grote, koel grijze gors met een groengeel waas op kop en keel, met een klein broedgebied van de Egeïsche eilanden en West-Turkije tot het Zagros-gebergte. Voor het gidsgebied is hij vooral een doortrekker en wintergast: de oostelijke vorm trekt door de Levant en de Golf naar de Rode Zeekust van Arabië en Noordoost-Afrika, en een klein aantal broedt in de bergen van Noord-Irak.

Smyrnagors (Emberiza cineracea)
Foto: Mark S Jobling — CC BY 3.0 · Wikimedia Commons

Geluid

De zang is kort, hard en wat treurig: drie of vier gelijke, klagende tonen gevolgd door een lagere, met een metalige bijklank, in klank tussen ortolaan en grauwe gors in. De roep is een kort, hard tsjip of kjup, op doortrek het meest gehoorde geluid.

Luister: VluchtroepXC1134540

Opname: Stanislas Wroza — CC BY-NC-SA 4.0 · omgezet naar mono · xeno-canto

Herkenning

16,5–18 cm. Fors en langgestaart, met een zware grijze snavel en wit aan de buitenzijde van de staart. Het mannetje is grijs met een licht getekende rug en een witte buik, met een groengele kop, keel en bovenborst en een smalle lichte oogring. Bij de oostelijke vorm (semenowi), die in het gidsgebied het meest voorkomt, is de onderzijde geler en de borst groengrijs. Het vrouwtje is doffer, met een grijzere kop waarop het geel alleen op keel en rond het oog doorschemert, en met fijne streepjes op de borst. Jonge vogels zijn zandgrijs en zwak gestreept, maar houden de koele grondtoon.

Verwarrings­soorten

De ortolaan (Emberiza hortulana) is kleiner en slanker, heeft een roze snavel, een gele oogring en warm oranjebruine onderdelen; de smyrnagors is grijs en wit tot geelgrijs onder. De bruinkeelortolaan (Emberiza caesia) is kleiner, blauwgrijs op de kop en oranjebruin van keel en buik. Een vrouwtje zwartkopgors (Emberiza melanocephala) is warmer zandbruin en mist wit in de staart. De grijze gors (Emberiza cia) heeft zware zwarte kopstrepen en een oranjebruine buik. Grootte, de zware grijze snavel en de koele, grijze kleur beslissen meestal.

Leefgebied

Broedt op droge, stenige berghellingen met lage struiken en verspreide eiken, meestal tussen 1.000 en 2.000 m. Op doortrek op kale, stenige hellingen, in garrigue en droge kruidensteppe; in de winter in de kustvlakten en op stenige halfwoestijnvlakten met verspreide struiken langs de Rode Zee.

Waar de vogel het meest zit, ingedeeld naar de leefgebieden van Noord-Afrika en het Midden-Oosten.

Verspreiding en trek

Broedt in klein aantal in het bergland van Iraaks Koerdistan. Op doortrek, vooral in maart – april en in september – oktober, schaars maar regelmatig in Israël, Jordanië, Syrië, Irak en Koeweit, en zeldzaam in Bahrein, Qatar, de Verenigde Arabische Emiraten en Oman. Overwintert in het westen en zuidwesten van Saoedi-Arabië, vooral in de Tihama en het Hijaz-kustgebied, en in Jemen; in Egypte schaars langs de Rode Zeekust en in de Sinaï. Daarbuiten broedt de westelijke vorm op Lesbos, Chios en in West-Turkije en de oostelijke vorm in Zuidoost-Turkije en het Zagros-gebergte van Iran; ook Eritrea en Soedan zijn overwinteringsgebied.

  • Zomergast (ca. apr–sep)
  • Doortrek (mrt–apr, okt–nov)
  • donker = kerngebied, licht = dun verspreid
Dichtheidskaart uit de waarnemingen van GBIF (2006-10-01 – 2026-09-30), geteld per hokje van 0,7° en per maand en gedeeld door alle vogelwaarnemingen in datzelfde hokje — zo telt niet mee hoeveel vogelaars er kijken. De kleurdiepte volgt dat aandeel en loopt geleidelijk af; de kaart houdt zich dus niet aan landsgrenzen. Landcontouren: Natural Earth (publiek domein).

Hoe en wanneer kijken

In Israël heb je de beste kans eind maart en begin april in de Negev en de Arava, op kale hellingen rond Eilat en Ovda; luister naar de harde roep. In de winter is de kustvlakte van Saoedi-Arabië en Jemen de plek, op stenige vlakten met verspreide struiken.

Staat van instandhouding

Gevoelig. Op de Rode Lijst als Near Threatened, door het kleine en versnipperde broedgebied en de achteruitgang door overbegrazing, bebossing en veranderend landgebruik in Turkije en Iran. In het gidsgebied een klein broedbestand in Noord-Irak waarover weinig bekend is; de doortrek en de overwintering in Arabië zijn slecht onderzocht.

Wetenschappelijke naam

Emberiza cineracea | Brehm, 1855

Brehm beschreef de soort in 1855 en plaatste haar meteen in het geslacht waarin ze nog altijd staat. Het geslacht Emberiza werd in 1758 ingevoerd door Linnaeus. Emberiza komt uit het Oudhoogduits, van Embritz, een naam voor een gors. cineracea is Latijn voor 'asgrauw', van cinis 'as', naar het grauwe verenkleed. Het eerst beschreven exemplaar kwam uit Izmir in Turkije.