Alle soorten › Zangvogels › Gorzen › Cirlgors

Cirlgors | Emberiza cirlus

Cirl Bunting | Escribano soteño

De gors van de groene, beboste hellingen van de Maghreb: een geelgorsachtige vogel waarvan het mannetje een zwarte keel en een zwarte oogstreep draagt. In het gidsgebied is hij een standvogel van het Rif, de Atlas en het Tellgebergte, en verder vrijwel afwezig.

Cirlgors (Emberiza cirlus)
Foto: Matjaž Mirt from Krško, Slovenia — CC BY 2.0 · Wikimedia Commons

Geluid

De zang is een droge, snelle ratel op één toonhoogte, tsrrrrrrrr, zonder de gerekte slottoon van de geelgors; vaak vanaf een boomtop, een telefoondraad of een cipres. Roep: een dun, scherp sip of zit, vaak herhaald.

Luister: ZangXC1179613

Opname: András Schmidt — CC BY-NC-SA 4.0 · omgezet naar mono · xeno-canto

Herkenning

Middelgrote, vrij compacte gors met een kortere staart dan de geelgors en witte buitenste staartpennen. Het mannetje heeft een geel gezicht met een zwarte oogstreep, een zwarte keelvlek en een olijfgrijze kruin met zwarte streepjes; onder de keel een gele band en dan een olijfgroene borstband, de flanken kastanjebruin gevlekt. Het vrouwtje en jonge vogels zijn dof geelbruin en fijn gestreept, met een donkere wangomranding. Het beslissende kenmerk in elk kleed is de olijfgrijze tot grijsbruine stuit.

Verwarrings­soorten

De geelgors (Emberiza citrinella), in Noord-Afrika een zeldzame wintergast, heeft een warm roestbruine stuit en mist bij het mannetje de zwarte keel en oogstreep; vrouwtjes geelgors zijn grover gestreept en geler op buik en onderstaartdekveren. De grijze gors (Emberiza cia), die dezelfde hellingen bewoont, heeft een grijze kop met zware zwarte strepen en een ongestreepte oranjebruine buik. De huisgors (Emberiza sahari) is kleiner, roestbruin zonder geel en houdt van dorpen en rotsen.

Leefgebied

Open, gemengd landschap van lage en middelhoge berghellingen: maquis en lichte steeneiken- en kurkeikenbossen, bosranden, olijfgaarden, boomgaarden en akkertjes met heggen, ook in ceder- en jeneverbesbos van de Atlas. In de winter in kleine groepjes op stoppels en braakland dicht bij dekking.

Waar de vogel het meest zit, ingedeeld naar de leefgebieden van Noord-Afrika en het Midden-Oosten.

Verspreiding en trek

Marokko: wijdverbreid in het noorden en in de bergen — Tingitana, Rif, Midden- en Hoge Atlas, het Centraal Plateau en plaatselijk de Anti-Atlas — ontbrekend in de Saharastreken. Algerije: het Tellgebergte, Kabylië en het Aurèsgebergte, tot aan de rand van de hoogvlakten. Tunesië: het noorden, de Kroumirie en de Dorsale, schaarser naar het zuiden. In Libië slechts een enkele melding uit het noordwesten; in Egypte en de Levant vrijwel ontbrekend (de dichtstbijzijnde broedvogels zitten op Cyprus en in West- en Zuid-Turkije). Daarbuiten standvogel van Zuid- en West-Europa, van Iberië tot de Balkan, met een geïsoleerde populatie in Zuidwest-Engeland.

  • Jaarrond
  • Zomergast (ca. apr–sep)
  • Wintergast (ca. okt–mrt)
  • Doortrek (mrt–apr, okt–nov)
  • donker = kerngebied, licht = dun verspreid
Dichtheidskaart uit de waarnemingen van GBIF (2006-10-01 – 2026-09-30), geteld per hokje van 0,7° en per maand en gedeeld door alle vogelwaarnemingen in datzelfde hokje — zo telt niet mee hoeveel vogelaars er kijken. De kleurdiepte volgt dat aandeel en loopt geleidelijk af; de kaart houdt zich dus niet aan landsgrenzen. Landcontouren: Natural Earth (publiek domein).

Hoe en wanneer kijken

Rijd in het voorjaar door de lage Midden-Atlas of het Rif (bijvoorbeeld rond Ifrane of Chefchaouen) en luister bij olijfgaarden en bosranden naar de vlakke ratel vanaf een boomtop. In Tunesië is de Kroumirie rond Aïn Draham een goede plek. Let bij opvliegende groepjes in de winter op de grijze stuit.

Staat van instandhouding

Wereldwijd niet bedreigd (IUCN: Least Concern). In de Maghreb plaatselijk algemeen in geschikt bergland; achteruitgang vooral waar heggen en oude gaarden verdwijnen door intensivering of door overbegrazing en houtkap.

Wetenschappelijke naam

Emberiza cirlus | Linnaeus, 1766

Linnaeus beschreef de soort in 1766 en plaatste haar meteen in het geslacht waarin ze nog altijd staat. Het geslacht Emberiza werd in 1758 ingevoerd door Linnaeus. Emberiza komt uit het Oudhoogduits, van Embritz, een naam voor een gors. cirlus komt van de Italiaanse streeknaam cirlo voor een gors, bij zirlare 'sjilpen'. Het eerst beschreven exemplaar kwam uit zuidelijk Europa.