Alle soorten › Zangvogels › Gorzen › Grijze gors
Grijze gors | Emberiza cia
Rock Bunting | Escribano montesino
De grijze gors is een slanke, langgestaarte gors van zonnige, rotsige berghellingen, met een blauwgrijze kop vol scherpe zwarte strepen en een ongestreepte oranjebruine buik. In het gidsgebied broedt hij in de Atlas en de bergen van de Maghreb en in het bergland van de Levant en Noord-Irak; in de winter zakt hij af naar dalen en lagere hellingen.
Geluid
De zang is een hoge, ijle, snelle reeks sisklanken en tikjes, sneller en onregelmatiger dan die van de geelgors: tsi-tsi-tsirri-tsi-tsu. Hij zingt van maart tot in juli vanaf een rotspunt, een muurtje of de top van een lage struik. De roep is een dun, scherp tsii en een kort tsip.
Opname: Bo Shunqi 薄顺奇 — CC BY-NC-SA 4.0 · ingekort tot de eerste 60 s, mono · xeno-canto
Herkenning
15–16,5 cm. Slank en langgestaart, met wit aan de buitenzijde van de staart en een grijze snavel. Het mannetje heeft een licht blauwgrijze kop met drie scherpe zwarte banen: langs de zijkant van de kruin, door het oog en langs de onderrand van de wang. Keel en bovenborst zijn grijs, de rest van de onderdelen ongestreept oranjebruin. De rug is roestbruin met zwarte strepen, de stuit warm kaneelbruin. Het vrouwtje is doffer, met minder scherpe kopstrepen en fijne streepjes op kruin en borst; jonge vogels zijn bruin en gestreept, maar tonen al de kaneelbruine stuit en onderdelen.
Verwarringssoorten
Geen andere gors in het gebied combineert een grijze kop met zware zwarte strepen en een ongestreepte oranjebruine buik. De huisgors (Emberiza sahari), die in Marokko en Algerije vaak op dezelfde rotsen zit, is kleiner en korter gestaart, heeft een fijn gestreepte grijze kop en keel en mist wit in de staart. De gestreepte gors (Emberiza striolata) in de Levant is ook kleiner, met fijne zwarte streepjes op een grijze kop en keel. De cirlgors (Emberiza cirlus) heeft een zwarte keel en geel in het gezicht en een olijfgrijze stuit; ortolaan (Emberiza hortulana) en bruinkeelortolaan (Emberiza caesia) hebben een egale kop met een lichte oogring en een roze snavel.
Leefgebied
Droge, zonnige, rotsige berghellingen met verspreide struiken en bomen: lichte eiken-, ceder- en jeneverbesbossen, maquis, terrassen en wijngaarden, tot boven de boomgrens in de Hoge Atlas, meestal tussen 800 en 2.500 m. In de winter op lager gelegen stenige hellingen, in dalen en aan akkerranden.
Waar de vogel het meest zit, ingedeeld naar de leefgebieden van Noord-Afrika en het Midden-Oosten.
Verspreiding en trek
Jaarrond in de Rif, de Midden- en Hoge Atlas en de Anti-Atlas van Marokko, in het noorden van Algerije en in het noordwesten van Tunesië. In het oosten broedt hij in Libanon, op de Hermon en de Golan, in de bergen van West- en Noord-Syrië en in het bergland van Noord-Irak. In de winter zwerft hij in kleine aantallen af naar Noord-Israël, Samaria, Jordanië en de lager gelegen delen van Syrië en Irak. Daarbuiten broedt hij van Iberië en Zuid-Europa over Turkije en de Kaukasus tot Centraal-Azië en de Himalaya.
- Jaarrond
- Zomergast (ca. apr–sep)
- Wintergast (ca. okt–mrt)
- Doortrek (mrt–apr, okt–nov)
- donker = kerngebied, licht = dun verspreid
Hoe en wanneer kijken
Zoek hem in de Hoge Atlas, bijvoorbeeld op de stenige hellingen boven Imlil of langs de weg naar de Oukaïmeden, en op de Hermon: luister naar de ijle, snelle zang en kijk daarna naar de rotsblokken en struiktoppen. In de winter loopt hij vaak onopvallend over de grond tussen stenen en lage struiken.
Staat van instandhouding
Wereldwijd niet bedreigd (IUCN: Least Concern). In de bergen van Marokko en Algerije vrij algemeen; in de Levant kleiner en plaatselijker verspreid, maar voor zover bekend stabiel.
Wetenschappelijke naam
Emberiza cia | Linnaeus, 1766
Linnaeus beschreef de soort in 1766 en plaatste haar meteen in het geslacht waarin ze nog altijd staat. Het geslacht Emberiza werd in 1758 ingevoerd door Linnaeus. Emberiza komt uit het Oudhoogduits, van Embritz, een naam voor een gors. cia gaat terug op een Italiaanse streeknaam voor deze vogel, bij zirlare 'sjilpen'. Het eerst beschreven exemplaar kwam uit Neder-Oostenrijk.


