Alle soorten › Roofvogels › Havikachtigen › Slangenarend
Slangenarend | Circaetus gallicus
Short-Toed Snake-Eagle | Culebrera europea
De slangenarend is een grote, lichte arend met een ronde, uilachtige kop en grote gele ogen, die vrijwel uitsluitend van slangen en hagedissen leeft. Hij jaagt door met hangende poten stil te hangen boven droge hellingen. In de Maghreb en de Levant is hij een vrij algemene broedvogel, en bij de Straat van Gibraltar en Eilat trekt hij in grote aantallen door.
Geluid
In de broedtijd vrij luidruchtig: een welluidend, wat meeuwachtig fluiten, kiijo of uu-ii-oo, vaak in de vlucht boven het territorium.
Opname: João Tomás — CC BY-NC-SA 4.0 · omgezet naar mono · xeno-canto
Herkenning
62–69 cm, spanwijdte 170–185 cm. Bovendelen grijsbruin met lichtere dekveren; onderdelen wit met wisselend veel bruine vlekken en dwarsbandjes, vaak met een donkerbruine kap over kop en borst, maar soms bijna geheel wit. De grote ronde kop met felgele ogen geeft een uilachtige indruk. In vlucht lange, brede vleugels met zes vingers, gehouden in een vlakke of licht geknikte stand; de ondervleugel is wit met rijen fijne donkere vlekjes, de staart heeft drie à vier smalle donkere banden. Hangt opvallend vaak lang en zwaar biddend boven één plek. Jonge vogels zijn egaler en lichter, met minder getekende onderdelen.
Verwarringssoorten
De visarend (Pandion haliaetus) heeft eveneens witte onderdelen, maar smallere, geknikte vleugels, een zwarte polsvlek en een donkere oogstreep. De lichte vorm van de dwergarend (Hieraaetus pennatus) is veel kleiner en heeft egaal zwarte slagpennen. Lichte buizerds, zoals de arendbuizerd (Buteo rufinus) en de buizerd (Buteo buteo), hebben donkere polsvlekken en een kleinere kop; de wespendief (Pernis apivorus) heeft een kleine kop en een staart met brede donkere eindband.
Leefgebied
Droog, open en zonnig terrein met veel reptielen: garrigue, maquis, open bos van eik, den en ceder, steppe met verspreide bomen en rotsachtige berghellingen. Het nest, een kleine takkenhorst, ligt in de top van een boom. Op trek over allerlei open land.
Waar de vogel het meest zit, ingedeeld naar de leefgebieden van Noord-Afrika en het Midden-Oosten.
Verspreiding en trek
In Marokko een vrij algemene broedvogel in de Rif, de Midden- en Hoge Atlas en de bossen van het noordwesten; in Algerije en Tunesië verspreid in het noorden, in Libië in kleine aantallen in de Jebel Akhdar. In Israël een vrij algemene broedvogel van het noorden tot de Negevhooglanden, verder in Jordanië, Libanon, Syrië en het noorden van Irak. Kleine aantallen broeden in de bergen van West-Saoedi-Arabië en Jemen. Bij de Straat van Gibraltar trekken in het najaar duizenden vogels naar Afrika; in Israël trekt de soort in beide seizoenen talrijk door, in het voorjaar vooral bij Eilat. Elders in Arabië, Egypte en de Golfstaten een schaarse doortrekker. Daarbuiten van Iberië en Zuid-Europa tot Centraal-Azië en India; de Europese en West-Aziatische vogels overwinteren in de Sahel.
- Jaarrond
- Zomergast (ca. apr–sep)
- Wintergast (ca. okt–mrt)
- Doortrek (mrt–apr, okt–nov)
- donker = kerngebied, licht = dun verspreid
Hoe en wanneer kijken
Ga in september en oktober naar Jbel Moussa of Cap Spartel, of in maart naar de bergen bij Eilat, waar ze in brede stroom overtrekken. In de broedtijd vindt men ze op zonnige ochtenden in de Midden-Atlas en Galilea boven hellingen, biddend als een reusachtige torenvalk.
Staat van instandhouding
Wereldwijd niet bedreigd. Plaatselijk kwetsbaar door het verdwijnen van extensief beweid, reptielrijk terrein, door elektrocutie aan stroommasten en door afschot op de trek.
Wetenschappelijke naam
Circaetus gallicus | (Gmelin, 1788)
Gmelin beschreef de soort in 1788 als Falco gallicus; omdat ze later in een ander geslacht is geplaatst, staan auteur en jaartal tussen haakjes. Het geslacht Circaetus werd in 1816 ingevoerd door Vieillot. Circaetus is Grieks, van kirkos, een soort havik, en aetos 'arend'. gallicus is Latijn voor 'Gallisch', dat wil zeggen 'uit Frankrijk'. Het eerst beschreven exemplaar kwam uit Frankrijk.


