Alle soorten › Roofvogels › Havikachtigen › Schreeuwarend
Schreeuwarend | Clanga pomarina
Lesser Spotted Eagle | Águila pomerana
De schreeuwarend is een middelgrote, bruine arend die vrijwel in zijn geheel via de Levant naar zijn winterkwartier in zuidelijk Afrika trekt. Eind september stromen boven Noord- en Midden-Israël op één dag soms tienduizenden vogels over, een van de grootste roofvogelschouwspelen ter wereld.
Geluid
Op de trek meestal stil. In het broedgebied een hoog, hondachtig gekef, kjiep-kjiep of jep-jep, waaraan de soort haar naam dankt.
Opname: Uku Paal — CC BY-NC-SA 4.0 · ingekort tot de eerste 60 s, mono · xeno-canto
Herkenning
55–65 cm, spanwijdte 145–168 cm. Kleiner en slanker dan de bastaardarend, met wat smallere vleugels. De volwassen vogel is middenbruin met een lichtere, geelbruine kop en lichtere vleugeldekveren; in vlucht van onderen zijn de dekveren lichter dan de donkere slagpennen, met vaak een dubbele lichte komma bij de handwortel. Van boven een lichte vlek aan de basis van de handpennen en een smalle witte U boven de staart. De jonge vogel is donkerder chocoladebruin met een roomkleurige vlek in de nek, één rij kleine witte vlekjes op de grote dekveren en een smalle witte achterrand. Zweeft met de handen licht omlaag.
Verwarringssoorten
De bastaardarend (Clanga clanga) is groter en donkerder, met ondervleugeldekveren die even donker of donkerder zijn dan de slagpennen en bij de jonge vogel grote witte druppelrijen. De steppearend (Aquila nipalensis) is groter, met langere vleugels en een gele mondhoek tot achter het oog. De buizerd (Buteo buteo), vooral de trekkende ondersoort vulpinus, heeft een kortere hals, zwarte polsvlekken en een gebandeerde staart; de zwarte wouw (Milvus migrans) een gevorkte staart.
Leefgebied
Broedt in bossen afgewisseld met weiden en akkers. Op de trek over heuvels en dalen; rust en foerageert op akkers, in boomgaarden en oeverbossen.
Waar de vogel het meest zit, ingedeeld naar de leefgebieden van Noord-Afrika en het Midden-Oosten.
Verspreiding en trek
Een talrijke doortrekker in de Levant: in Israël trekken in de najaarstrek tussen half september en half oktober jaarlijks tienduizenden tot meer dan honderdduizend vogels over, vooral boven de heuvels van Galilea, Samaria en de kustvlakte; in het voorjaar trekken duizenden vogels bij Eilat. Ook talrijk boven Libanon en Syrië, en over de Sinaï en de Golf van Suez langs de Egyptische Rode Zeekust zuidwaarts naar Soedan. In Jordanië en Noordwest-Saoedi-Arabië minder talrijk; in de Golfstaten, Oman en Jemen zeldzaam. In de Maghreb zeldzaam, met enkele vogels per jaar bij de Straat van Gibraltar. Broedt van Duitsland en de Balkan tot Rusland, Turkije en de Kaukasus; overwintert in Oostelijk en Zuidelijk Afrika.
- Jaarrond
- Zomergast (ca. apr–sep)
- Wintergast (ca. okt–mrt)
- Doortrek (mrt–apr, okt–nov)
- donker = kerngebied, licht = dun verspreid
Hoe en wanneer kijken
Ga in de laatste dagen van september naar een telpost in Noord- of Midden-Israël, zoals Kfar Qasem; rond het middaguur draaien enorme kolken arenden op de thermiek. In het voorjaar zijn de bergen ten noorden van Eilat het beste.
Staat van instandhouding
Wereldwijd niet bedreigd. De soort is kwetsbaar door afschot op de trek, met name in Libanon en Syrië, elektrocutie en het verdwijnen van extensief beheerd grasland en oud bos in het broedgebied.
Wetenschappelijke naam
Clanga pomarina | (Brehm, 1831) (GBIF: Aquila pomarina)
Brehm beschreef de soort in 1831 als Aquila Pomarina; omdat ze later in een ander geslacht is geplaatst, staan auteur en jaartal tussen haakjes. Het geslacht Clanga werd in 1857 ingevoerd door Adamowicz. Clanga komt van het Oudgriekse klangos, bij Aristoteles de naam van een arend; anderen brengen het terug op klangē 'geschreeuw'. pomarina verwijst naar Pommeren, de voormalige Pruisische provincie waar het typemateriaal vandaan kwam. Het eerst beschreven exemplaar kwam uit Pommeren.


