Alle soorten › Zangvogels › Vinkachtigen › Sijs
Sijs | Spinus spinus
Eurasian Siskin | Lúgano
Een klein, geelgroen vinkje uit de naaldbossen van Europa en Azië dat in de winter naar het zuiden zwerft. Hoeveel er het gidsgebied bereiken hangt af van de zaadoogst in het noorden: in sommige jaren zitten de Levant en de Maghreb er vol mee, in andere jaren zijn het er maar enkele.
Geluid
De meest gehoorde roep is een helder, klagend tsie-uu of dluu-ie, vaak uit overvliegende groepjes, daarnaast een droog getjirp. De zang, ook in de winter al te horen, is een snel, kwetterend gebabbel met piepende en krassende tonen, dat vaak eindigt in een lang, hijgend tsjèèèh.
Opname: Stanislas Wroza — CC BY-NC-SA 4.0 · omgezet naar mono · xeno-canto
Herkenning
Klein en tenger, met een spitse, puntige snavel en een korte, gevorkte staart. Het mannetje is geelgroen met een zwarte kruin en een klein zwart kinvlekje, gele wenkbrauw en borst, een gestreepte groene rug, gestreepte witte flanken en een gele stuit. De zwarte vleugels hebben twee brede gele banden en de staart heeft gele zijkanten. Het vrouwtje mist het zwart op de kop en is grijzer en zwaarder gestreept, met minder geel. Jonge vogels zijn bruiner en overal gestreept.
Verwarringssoorten
De Europese kanarie (Serinus serinus) heeft een korte, dikke snavel, geen gele vleugelbanden en geen geel in de staart. De Syrische kanarie (Serinus syriacus) is bleker en nauwelijks gestreept. De groenling (Chloris chloris) is veel groter en zwaarder, met een dikke snavel en zonder strepen. Een jonge putter (Carduelis carduelis) heeft een gouden vleugelband op een zwarte vleugel maar geen groen.
Leefgebied
In de winter in bomen met zaden: elzen, cipressen, dennen, casuarina's en eucalyptus, in parken, tuinen, oeverbossen en aangeplante bossen; ook op distels en ruigten. Hangt mezenachtig aan dunne twijgjes en kegeltjes, vaak in groepjes en samen met kanaries en putters.
Waar de vogel het meest zit, ingedeeld naar de leefgebieden van Noord-Afrika en het Midden-Oosten.
Verspreiding en trek
Wintergast in Noord-Marokko, Noord-Algerije en Noord-Tunesië, schaars in Noord-Libië, en in het oosten in Libanon, Syrië, Israël, Samaria en Judea, Jordanië, Noord-Egypte (de Nijldelta en de Sinaï) en Irak. In invasiejaren bereikt hij ook Koeweit, Qatar, de Emiraten, Oman en het noorden van Saoedi-Arabië, waar hij anders zeldzaam is. Broedt in Europa, de Kaukasus en Noord-Azië tot Japan, met geïsoleerde populaties in de bergen van Zuid-Europa.
- Jaarrond
- Zomergast (ca. apr–sep)
- Wintergast (ca. okt–mrt)
- Doortrek (mrt–apr, okt–nov)
- donker = kerngebied, licht = dun verspreid
Hoe en wanneer kijken
In een invasiewinter de elzen en cipressen in parken en langs beken in Noord-Israël of de Marokkaanse Rif afzoeken; luister naar het klagende tsie-uu boven de bomen. Kijk de groepjes door op Europese kanaries en Syrische kanaries.
Staat van instandhouding
Wereldwijd niet bedreigd en in zijn broedgebied talrijk. In het gidsgebied een wisselend talrijke wintergast; ook de sijs wordt in de regio gevangen als kooivogel.
Wetenschappelijke naam
Spinus spinus | (Linnaeus, 1758)
Linnaeus beschreef de soort in 1758 als Fringilla Spinus; omdat ze later in een ander geslacht is geplaatst, staan auteur en jaartal tussen haakjes. Het geslacht Spinus werd in 1816 ingevoerd door Koch. Spinus gaat terug op het Oudgriekse spinos, de naam van een kleine vogel die niet meer met zekerheid thuis te brengen is. De soortnaam herhaalt de geslachtsnaam. Het eerst beschreven exemplaar kwam uit Zweden.


