Alle soorten › Zangvogels › Rotskruipers › Rotskruiper
Rotskruiper | Tichodroma muraria
Wallcreeper | Treparriscos
De rotskruiper is een van de meest gezochte vogels van het Palearctisch gebergte: een grijze rotsvogel met karmijnrode vleugels die als een vlinder over kliffen fladdert. In het gidsgebied is hij vooral een wintergast aan de kliffen en kloven van de Levant, met een kleine broedpopulatie in het hooggebergte van Iraaks Koerdistan.
Geluid
Vrij stil in de winter. De roep is een dun, hoog tsie of tuiie. De zang bestaat uit langgerekte, hoge en stijgende fluittonen, tuu-tii-tuuuu-tsiiu, met een karakteristieke laatste, opwaartse uithaal.
Opname: Magnus Hellström — CC BY-NC-SA 4.0 · omgezet naar mono · xeno-canto
Herkenning
15,5–17 cm. Compact, met een korte staart, brede ronde vleugels en een lange, dunne, gebogen snavel. Bovendelen asgrijs; de vleugels zijn zwart met een brede karmijnrode baan over dekveren en de basis van de slagpennen en met twee rijen witte vlekken op de handpennen. In de winter zijn keel en borst witachtig grijs; in het broedkleed heeft het mannetje een zwarte keel en borst, het vrouwtje een kleinere donkere keelvlek of een lichte keel. Klimt met schokkerige bewegingen en steeds even opengeklapte vleugels tegen rotswanden omhoog; de vlucht is fladderend en vlinderachtig.
Verwarringssoorten
Er is weinig mee te verwarren. De rotsklever (Sitta neumayer) en de grote rotsboomklever (Sitta tephronota) delen de kliffen, maar zijn blauwgrijs en wit, met een rechte snavel en zonder rood in de vleugel. Een vluchtige vlinderachtige vogel tegen een rotswand kan in eerste instantie aan een hop (Upupa epops) doen denken, maar die heeft zwart-witte vleugels en een kuif.
Leefgebied
In het broedseizoen steile rotswanden en kloven in het hooggebergte, vaak bij water, vanaf ongeveer 1500 m. In de winter lager: kliffen, kloven, steengroeven, ruïnes en soms gebouwen, tot op zeeniveau en zelfs onder zeeniveau langs de Dode Zee. Zoekt in spleten naar insecten en spinnen.
Waar de vogel het meest zit, ingedeeld naar de leefgebieden van Noord-Afrika en het Midden-Oosten.
Verspreiding en trek
Broedt in kleine aantallen in het hooggebergte van Iraaks Koerdistan, aan de rand van het Zagros- en Taurusgebergte. In de winter een schaarse maar regelmatige gast in Israël en de Westelijke Jordaanoever, met vaste plekken op de Hermon, de kliffen van de Arbel en Nahal Amud in Galilea, de kloven van de Woestijn van Judea (zoals Wadi Qelt) en de kliffen bij Ein Gedi en de Dode Zee; ook in Libanon en West-Syrië, zeldzaam in Jordanië. In Marokko een zeldzame dwaalgast. Daarbuiten broedt de soort van de Pyreneeën en de Alpen door de Balkan, Turkije, de Kaukasus en Iran tot de Himalaya en West-China.
- Jaarrond
- Zomergast (ca. apr–sep)
- Wintergast (ca. okt–mrt)
- Doortrek (mrt–apr, okt–nov)
- donker = kerngebied, licht = dun verspreid
Hoe en wanneer kijken
De kliffen van de Arbel boven het Meer van Galilea en de wanden bij Ein Gedi zijn de klassieke winterplekken in Israël; vogels houden vaak wekenlang dezelfde rotswand aan. Scan een klif rustig met de verrekijker en let op het rode flitsen van de vleugels.
Staat van instandhouding
Wereldwijd niet bedreigd. Als broedvogel van onbereikbare rotswanden weinig bedreigd; in het gidsgebied is de soort schaars, en de aantallen wintergasten wisselen van jaar tot jaar.
Wetenschappelijke naam
Tichodroma muraria | (Linnaeus, 1766)
Linnaeus beschreef de soort in 1766 als Certhia muraria; omdat ze later in een ander geslacht is geplaatst, staan auteur en jaartal tussen haakjes. Het geslacht Tichodroma werd in 1811 ingevoerd door Illiger. Tichodroma is Grieks, van teichos 'muur' en dromos 'loper', naar de vogel die langs rotswanden omhoog klimt. muraria is middeleeuws Latijn voor 'van de muren', bij het Latijnse murus 'muur'. Het eerst beschreven exemplaar kwam uit zuidelijk Europa.

