Alle soorten › Steltloperachtigen › Strandlopers en snippen › Rosse franjepoot

Rosse franjepoot | Phalaropus fulicarius

Red Phalarope | Falaropo picogrueso

Een kleine, zeegaande steltloper die buiten de broedtijd op open oceaan leeft, dobberend als een miniatuurmeeuw. Grote aantallen trekken en overwinteren in het koude, voedselrijke opwellingswater voor de kust van Noordwest-Afrika; vanaf de Marokkaanse kust wordt hij vooral na westerstormen gezien, terwijl hij elders in het gebied een zeldzame dwaalgast is.

Rosse franjepoot (Phalaropus fulicarius)
Foto: USFWS - Pacific Region — Public domain · Wikimedia Commons

Geluid

Een kort, scherp pit of wit, vaak te horen van overvliegende groepjes.

Luister: RoepXC1063401

Opname: Avery Bartels — CC BY-NC-SA 4.0 · omgezet naar mono · xeno-canto

Herkenning

Gedrongen, met een dikke hals, een vrij korte, aan de basis brede snavel (in de zomer geel met zwarte punt, in de winter grotendeels zwart) en gelobde tenen. In winterkleed effen lichtgrijs van boven en wit van onder, met een witte kop, een zwarte vlek achter het oog en een donkere achterkruin. Het broedkleed, in het gebied zelden te zien, is diep roestrood van onder met een witte wangvlek en een zwartgestreepte rug. Jonge vogels in de herfst hebben nog zwartachtige, geelbruin gerande veren op de rug. In vlucht een duidelijke witte vleugelstreep.

Verwarrings­soorten

De grauwe franjepoot (Phalaropus lobatus) is kleiner en tengerder, met een naaldfijne snavel en in winterkleed een donkerder, wit gestreepte rug. De grote franjepoot (Phalaropus tricolor) is slanker en langpotiger, zonder witte vleugelstreep. De drieteenstrandloper (Calidris alba) lijkt in winterkleed op een rosse franjepoot, maar rent over het strand en zwemt niet.

Leefgebied

Buiten de broedtijd op open zee, vooral boven het koude opwellingswater en langs stroomnaden en wieridriften, waar hij plankton van het wateroppervlak pikt; na stormen ook dicht onder de kust, in havens, lagunes en zoutpannen.

Waar de vogel het meest zit, ingedeeld naar de leefgebieden van Noord-Afrika en het Midden-Oosten.

Verspreiding en trek

Voor de Atlantische kust van Marokko en de Westelijke Sahara een geregelde, op zee soms talrijke doortrekker en wintergast, vooral van oktober tot maart; vanaf het land vooral te zien na westerstormen, bijvoorbeeld bij Essaouira, Agadir, Tarfaya en Dakhla, en dan soms in havens en lagunes. In de Middellandse Zee zeldzaam, met verspreide gevallen langs de kusten van Marokko, Algerije, Tunesië, Libië en Egypte. In het Midden-Oosten een zeldzame dwaalgast: onder meer in Israël, en vijf gevallen in Koeweit, alle rond de baai van Jahra, verder enkele in Saoedi-Arabië, de Emiraten en Oman. Broedt op de hoogarctische toendra van Canada, Groenland, Spitsbergen en Siberië en overwintert vooral op zee voor West-Afrika en Zuidwest-Afrika en voor de westkust van Zuid-Amerika.

  • Wintergast (ca. okt–mrt)
  • Doortrek (mrt–apr, okt–nov)
  • donker = kerngebied, licht = dun verspreid
Dichtheidskaart uit de waarnemingen van GBIF (2006-10-01 – 2026-09-30), geteld per hokje van 0,7° en per maand en gedeeld door alle vogelwaarnemingen in datzelfde hokje — zo telt niet mee hoeveel vogelaars er kijken. De kleurdiepte volgt dat aandeel en loopt geleidelijk af; de kaart houdt zich dus niet aan landsgrenzen. Landcontouren: Natural Earth (publiek domein).

Hoe en wanneer kijken

Zeetrekwaarnemingen vanaf kapen als Cap Ghir of vanaf de pier van Essaouira na een stevige westerstorm in het najaar bieden de beste kans; een pelagische tocht vanuit Dakhla of Agadir levert soms groepjes op die als kurkjes op het water liggen. Verdwaalde vogels zijn vaak opvallend tam.

Staat van instandhouding

Wereldwijd niet bedreigd. Zijn afhankelijkheid van voedselrijk opwellingswater maakt hem gevoelig voor veranderingen in zeestromingen en voor olieverontreiniging; in het broedgebied speelt de opwarming van het Noordpoolgebied een rol.

Wetenschappelijke naam

Phalaropus fulicarius | (Linnaeus, 1758)

Linnaeus beschreef de soort in 1758 als Tringa fulicaria; omdat ze later in een ander geslacht is geplaatst, staan auteur en jaartal tussen haakjes. Het geslacht Phalaropus werd in 1760 ingevoerd door Brisson. Phalaropus gaat via het Franse phalarope terug op het Griekse phalaris 'meerkoet' en pous 'voet': net als meerkoeten hebben franjepoten gelobde tenen. fulicarius is afgeleid van het Latijnse fulica 'meerkoet', om dezelfde gelobde tenen. Het eerst beschreven exemplaar kwam uit de Hudsonbaai.