Alle soorten › Steltloperachtigen › Strandlopers en snippen › Grauwe franjepoot

Grauwe franjepoot | Phalaropus lobatus

Red-Necked Phalarope | Falaropo picofino

Een kleine, fijngebouwde steltloper die zwemt als een tolletje en het grootste deel van het jaar op zee leeft. Voor het gidsgebied is hij van groot belang: een groot deel van de Siberische broedvogels overwintert in de Arabische Zee en de Golf van Oman, en op trek strijken groepen neer op zoutpannen, zuiveringsvijvers en meren van de Golfstaten tot Eilat.

Grauwe franjepoot (Phalaropus lobatus)
Foto: Gregory "Slobirdr" Smith — CC BY-SA 2.0 · Wikimedia Commons

Geluid

Buiten de broedtijd meestal stil. Groepen laten een kort, scherp kit of twit horen, soms in een snelle reeks, dat aan de roep van een kleine strandloper doet denken.

Luister: VluchtroepXC1168559

Opname: Stanislas Wroza — CC BY-NC-SA 4.0 · omgezet naar mono · xeno-canto

Herkenning

Klein, met een naaldfijne zwarte snavel en een rond kopje. In winterkleed, het kleed dat je hier het meest ziet, lichtgrijs van boven met witte strepen langs de mantel en wit van onder, met een zwarte vlek achter het oog op een witte kop. Juvenielen (augustus – oktober) zijn donkerder, zwartbruin van boven met roomgele mantelstrepen en een donkere kruin. Het vrouwtje in zomerkleed, in mei soms nog te zien, is leigrijs met een witte keel en een roestrode halsband; het mannetje is doffer. Zwemt hoog op het water en draait vaak snel rond om prooi van het oppervlak te pikken. In vlucht een duidelijke witte vleugelstreep.

Verwarrings­soorten

De rosse franjepoot (Phalaropus fulicarius) is forser, met een dikkere snavel met vaak een gele basis en in winterkleed een effener, blekere grijze mantel zonder strepen; in het gebied zeldzaam. De grote franjepoot (Phalaropus tricolor), een dwaalgast uit Amerika, heeft een langere snavel, geen vleugelstreep en een witte stuit, en loopt meer op de oever. Kleine strandloper (Calidris minuta) en drieteenstrandloper (Calidris alba) lijken in winterkleed op een rustende franjepoot op de oever, maar zwemmen niet en missen de zwarte oogvlek.

Leefgebied

Buiten de broedtijd vooral op open zee, waar groepen foerageren langs stroomnaden en in koel, voedselrijk opwellend water met veel plankton. Op trek ook op zoutpannen, sebkha's met water, zoute en brakke meren, zuiveringsvijvers en stuwmeren, zowel aan de kust als diep in het binnenland. Broedt in het hoge noorden bij toendrapoeltjes.

Waar de vogel het meest zit, ingedeeld naar de leefgebieden van Noord-Afrika en het Midden-Oosten.

Verspreiding en trek

In de winter in groten getale in de Arabische Zee en de Golf van Oman, met zwermen van duizenden vogels voor de kust van Oman en ook voor de oostkust van de Emiraten; schaarser in de Rode Zee en voor Jemen. Op trek verspreid over het oosten van het gebied: in de Emiraten een vrij algemene doortrekker, vooral in april en september, op zuiveringsvijvers in het binnenland en op zee, en in alle maanden gemeld; ook in Koeweit, Qatar, Bahrein, Oost-Saoedi-Arabië en Zuid-Irak, en in Israël, waar groepjes in de nazomer op de zoutpannen van Eilat verschijnen. Schaarser in Jordanië, Syrië en Libanon, en in Egypte vooral langs de Rode Zee en het Suezkanaal. In de Maghreb en Libië zeldzaam: in Marokko een zeldzame gast met ruim een dozijn gevallen tot 2006, vooral in de winter, onder meer op de Sebkha Bou Areg bij Nador. Broedt circumpolair op de toendra, van IJsland en Schotland tot Siberië, Alaska en Canada; overwintert ook voor de kust van Peru en in Zuidoost-Azië.

  • Jaarrond
  • Zomergast (ca. apr–sep)
  • Wintergast (ca. okt–mrt)
  • Doortrek (mrt–apr, okt–nov)
  • donker = kerngebied, licht = dun verspreid
Dichtheidskaart uit de waarnemingen van GBIF (2006-10-01 – 2026-09-30), geteld per hokje van 0,7° en per maand en gedeeld door alle vogelwaarnemingen in datzelfde hokje — zo telt niet mee hoeveel vogelaars er kijken. De kleurdiepte volgt dat aandeel en loopt geleidelijk af; de kaart houdt zich dus niet aan landsgrenzen. Landcontouren: Natural Earth (publiek domein).

Hoe en wanneer kijken

In april en september vind je in de Emiraten en Koeweit groepjes op zuiveringsvijvers en zoutpannen, vaak opvallend tam. Op zeetochten vanaf Muscat of de oostkust van de Emiraten in de winter zijn soms grote zwermen te zien, laag over het water als zwermen strandlopers. In Eilat zijn de zoutpannen ten noorden van de stad in augustus en september de beste plek.

Staat van instandhouding

Wereldwijd niet bedreigd (LC). Op sommige traditionele pleisterplaatsen buiten het gebied zijn de aantallen wel sterk teruggelopen. Op zee is de soort kwetsbaar voor olievervuiling, een reëel risico in de Golf van Oman met zijn drukke tankerroutes; op trek hangt hij af van ondiepe zoute wateren die door kustontwikkeling verdwijnen.

Wetenschappelijke naam

Phalaropus lobatus | (Linnaeus, 1758)

Linnaeus beschreef de soort in 1758 als Tringa tobata; omdat ze later in een ander geslacht is geplaatst, staan auteur en jaartal tussen haakjes. Het geslacht Phalaropus werd in 1760 ingevoerd door Brisson. Phalaropus gaat via het Franse phalarope terug op het Griekse phalaris 'meerkoet' en pous 'voet': net als meerkoeten hebben franjepoten gelobde tenen. lobatus is modern Latijn voor 'gelobd', naar de zwemlobben langs de tenen. Het eerst beschreven exemplaar kwam uit de Hudsonbaai.