Alle soorten › Zangvogels › Vliegenvangers › Rode rotslijster
Rode rotslijster | Monticola saxatilis
Rufous-Tailed Rock Thrush | Roquero rojo
De rode rotslijster is een kleurrijke broedvogel van de hooggelegen, rotsige hellingen van de Atlas en de bergen van de Levant. Op de trek naar en van Afrika ten zuiden van de Sahara trekt hij over het hele gebied, maar valt dan, stil en schuw, veel minder op. Het zingende mannetje brengt zijn zang vaak in een korte zangvlucht.
Geluid
De roep is een zacht tsjak en een fluitend djuu. De zang is een helder, melodieus en wat melancholiek gefluit met korte, kabbelende frasen, vaak met imitaties, gebracht van een rots of in een korte, fladderende zangvlucht.
Opname: Xavier Riera — CC BY-NC-SA 4.0 · omgezet naar mono · xeno-canto
Herkenning
18–20 cm. Gedrongen lijster met een vrij lange snavel, een korte staart en lange vleugels. Het mannetje in broedkleed heeft een blauwgrijze kop, keel en mantel, een witte vlek midden op de rug, donkere vleugels en een oranjerode borst en buik; de staart is oranjerood met een bruin middenpaar. Het vrouwtje is bruin met fijne lichte stippels boven en een oranjebeige, donker geschubde onderzijde, en heeft dezelfde roestrode staart. In het najaar lijken mannetjes door lichte en donkere veerranden op het vrouwtje.
Verwarringssoorten
Het vrouwtje van de blauwe rotslijster (Monticola solitarius) is donkerder, langerstaartig en heeft een donkere staart zonder rood. De kleine rotslijster (Monticola rufocinereus) is kleiner, heeft geen witte rugvlek en een staart met een donkere eindband. De Koerdische tapuit (Oenanthe xanthoprymna) en de roodstaarttapuit (Oenanthe chrysopygia) hebben ook een rode staart, maar met een zwarte eindband, en zijn slanker. De gekraagde roodstaart (Phoenicurus phoenicurus) is veel kleiner en slanker.
Leefgebied
Broedt op open, rotsige berghellingen met grasland, puin en verspreide struiken, vaak boven de boomgrens, in de Atlas tot boven 3000 m; ook in ruïnes en steengroeven. Op de trek op rotsige heuvels, in wadi's en in open terrein met stenen en lage begroeiing.
Waar de vogel het meest zit, ingedeeld naar de leefgebieden van Noord-Afrika en het Midden-Oosten.
Verspreiding en trek
Broedt in Marokko in de Hoge en Midden-Atlas en het Rifgebergte, in de bergen van Noord-Algerije (onder meer de Djurdjura en de Aurès) en zeer plaatselijk in West-Tunesië. In het oosten in de bergen van Libanon en Syrië, op de Hermon en in de bergen van Koerdistan in Noord-Irak. Op de trek verspreid door de hele Maghreb, Libië en Egypte, de Levant en Irak en over het Arabisch Schiereiland, in het voorjaar opvallender dan in het najaar. Een klein aantal overwintert in Zuid-Arabië en Oman; het merendeel overwintert in de savannes van Afrika ten zuiden van de Sahara. Daarbuiten broedt de soort van Zuid-Europa via Turkije en de Kaukasus tot Centraal-Azië en Noord-China.
- Zomergast (ca. apr–sep)
- Wintergast (ca. okt–mrt)
- Doortrek (mrt–apr, okt–nov)
- donker = kerngebied, licht = dun verspreid
Hoe en wanneer kijken
In mei en juni in Oukaimeden en op de Tizi-n-Tichka in de Hoge Atlas; in Israël op de hellingen van de Hermon. Doortrekkers zie je in april in Eilat en in de wadi's van de Sinaï.
Staat van instandhouding
Wereldwijd niet bedreigd. In Europa is de stand de laatste decennia afgenomen, onder meer door het verdwijnen van extensieve begrazing van berggraslanden; over de trend in de Atlas en de Levant is weinig bekend.
Wetenschappelijke naam
Monticola saxatilis | (Linnaeus, 1766)
Linnaeus beschreef de soort in 1766 als [Turdus] saxatilis; omdat ze later in een ander geslacht is geplaatst, staan auteur en jaartal tussen haakjes. Het geslacht Monticola werd in 1822 ingevoerd door Boie. Monticola is Latijn voor 'bergbewoner', van mons, montis 'berg' en colere 'bewonen'. saxatilis is Latijn voor 'tussen de rotsen levend', van saxum 'rots'. Het eerst beschreven exemplaar kwam uit Zwitserland.

