Alle soorten › Zangvogels › Vliegenvangers › Blauwe rotslijster
Blauwe rotslijster | Monticola solitarius
Blue Rock-Thrush | Roquero solitario
De blauwe rotslijster is de donkere lijster van kliffen, kloven en ruïnes, van de Marokkaanse kust tot de bergen van Oman. Rond de Middellandse Zee en in de Levant is hij standvogel; in Arabië en Egypte komt hij vooral als wintergast voor. Vaak zit hij roerloos op een rotsrand of muur, maar zijn melancholieke zang draagt ver.
Geluid
De roep is een diep tsjak-tsjak en een hoog, fluitend uiet. De zang is een rustige, heldere en wat weemoedige strofe van fluittonen, enigszins als van een merel of zanglijster, die over kloven en tussen huizen ver draagt; soms in een korte zangvlucht.
Opname: Esperanza Poveda — CC BY-NC-SA 4.0 · omgezet naar mono · xeno-canto
Herkenning
20–23 cm. Slanke, langsnavelige lijster met een vrij lange staart. Het mannetje is geheel donker leiblauw, met in het voorjaar een glanzend blauwe kop en borst en zwartachtige vleugels en staart; in het najaar is het blauw door lichte en donkere veerranden fijn geschubd. Op afstand of in slecht licht lijkt hij gewoon zwart. Het vrouwtje is donker grijsbruin, soms met een blauwige zweem, met een lichte, donker geschubde keel en onderzijde en een donkere staart. De oostelijke vorm longirostris, die in Arabië overwintert, is iets bleker blauw en heeft een langere, dunnere snavel.
Verwarringssoorten
De merel (Turdus merula) is gedrongener, heeft bij het mannetje een gele snavel en leeft zelden op kale rotsen. De spreeuw (Sturnus vulgaris) is korterstaartig en spitsvleugelig en glanst groen-paars. Het vrouwtje van de rode rotslijster (Monticola saxatilis) is lichter, korterstaartig en heeft een roestrode staart. De zwartstaart (Oenanthe melanura) is veel kleiner en grijzer.
Leefgebied
Steile, rotsige terreinen: kliffen aan zee, rotsige kusten en eilanden, kloven en canyons, bergwanden, steengroeven, ruïnes en oude gebouwen in dorpen en steden. In de winter ook in rotsige wadi's, op dammen, kademuren en grote gebouwen, ook tot in de woestijn.
Waar de vogel het meest zit, ingedeeld naar de leefgebieden van Noord-Afrika en het Midden-Oosten.
Verspreiding en trek
Standvogel in de hele Maghreb, van de Atlantische kust en het Rifgebergte van Marokko via de Atlas tot de kloven aan de rand van de Sahara (zoals de Todra- en Dadèsklof), in Noord-Algerije, Tunesië en in Noord-Libië (Jebel Nafusa en Jebel Akhdar). In het oosten broedt hij in de Sinaï, Israël, Jordanië (onder meer bij Petra en Wadi Rum), Libanon, Syrië en de bergen van Noord-Irak. In de winter, van oktober tot april, komen daar vogels uit Turkije, de Kaukasus en Centraal-Azië bij: verspreid in Egypte, ook in de Nijlvallei, en over vrijwel het hele Arabisch Schiereiland, het talrijkst in het Hajargebergte van de Emiraten en Oman en in de bergen van Jemen; in Saoedi-Arabië een vrij schaarse wintergast en doortrekker die de kust meest mijdt. Daarbuiten van Zuid-Europa tot Centraal-Azië, en in Oost-Azië een andere vorm met een kastanjerode buik.
- Jaarrond
- Zomergast (ca. apr–sep)
- Wintergast (ca. okt–mrt)
- Doortrek (mrt–apr, okt–nov)
- donker = kerngebied, licht = dun verspreid
Hoe en wanneer kijken
In Marokko in de Todraklof en langs de rotskust bij Essaouira; in Israël en Jordanië bij Petra en in de kloven van de Negev. In de winter op elke rotswand in het Hajargebergte, bijvoorbeeld bij Jebel Hafeet en in de wadi's rond Hatta.
Staat van instandhouding
Wereldwijd niet bedreigd. In het gidsgebied wijd verbreid en plaatselijk algemeen; rotsig broedbiotoop is weinig bedreigd.
Wetenschappelijke naam
Monticola solitarius | (Linnaeus, 1758)
Linnaeus beschreef de soort in 1758 als [Turdus] solitarius; omdat ze later in een ander geslacht is geplaatst, staan auteur en jaartal tussen haakjes. Het geslacht Monticola werd in 1822 ingevoerd door Boie. Monticola is Latijn voor 'bergbewoner', van mons, montis 'berg' en colere 'bewonen'. solitarius is Latijn voor 'eenzaam', naar de gewoonte om alleen of in paren te leven. Het eerst beschreven exemplaar kwam uit Italië.


