Alle soorten › Duikers › Duikers › Parelduiker

Parelduiker | Gavia arctica

Arctic Loon | Colimbo ártico

Een slanke, contrastrijke duiker van de grote meren van Noord-Europa en Siberië, die in grote aantallen overwintert op de Zwarte Zee en de Kaspische Zee. Vanuit die overwinteringsgebieden komen af en toe vogels in het oostelijke Middellandse Zeegebied terecht; in het gidsgebied is het de duiker die je het vaakst nog treft, al blijft het een zeldzaamheid.

Parelduiker (Gavia arctica)
Foto: Wald1siedel — CC BY-SA 4.0 · Wikimedia Commons

Geluid

In de winter zwijgend. In het broedgebied een luide, golvende, langgerekte roep, kloo-ii-kloo-ii, en een krassend knarr.

Luister: ZangXC1167822

Opname: Stanislas Wroza — CC BY-NC-SA 4.0 · ingekort tot de eerste 60 s, mono · xeno-canto

Herkenning

Middelgroot, met een rechte, dolkvormige snavel die horizontaal wordt gehouden, een vrij ronde kop en een stevige hals. In winterkleed donker leigrijs boven, zonder stippels, met een scherpe, rechte grens tussen de donkere achterhals en de witte voorhals; het oog ligt in het donkere deel. Kenmerkend is een opvallende witte vlek op de achterflank, net boven de waterlijn. In zomerkleed een grijze kop, een zwarte keel met paars-groene glans, wit-zwart gestreepte halszijden en een zwarte rug met witte blokken. Jonge vogels hebben lichte randen aan de rugveren, wat een geschubd patroon geeft.

Verwarrings­soorten

De roodkeelduiker (Gavia stellata) is kleiner en slanker, met een dunne, opgewipte snavel die schuin omhoog wordt gehouden, een bleker, fijn wit gestippelde rug en meer wit in het gezicht. De ijsduiker (Gavia immer) is groter, met een zwaardere snavel, een hoekige kop met een steile voorhoofdsbult en een onregelmatige halsgrens met een donkere halfkraag. De pacifische parelduiker (Gavia pacifica) mist de witte flankvlek en heeft vaak een smalle donkere kinriem. De kuifaalscholver (Gulosus aristotelis) ligt eveneens laag in het water, maar is geheel donker met een gehaakte snavel.

Leefgebied

Kustwateren, baaien en havens, ook open zee dicht onder de kust; soms grote binnenmeren. Jaagt duikend op vis, vaak lang onder water.

Waar de vogel het meest zit, ingedeeld naar de leefgebieden van Noord-Afrika en het Midden-Oosten.

Verspreiding en trek

Israël: zeldzame wintergast en doortrekker, met ruim twintig aanvaarde gevallen, de meeste aan de Middellandse Zeekust (onder meer Akko) en in de Golf van Eilat, uitzonderlijk op het Meer van Galilea (december 2006). Egypte: zeldzame wintergast aan de Middellandse Zeekust en in de Golf van Suez. Koeweit: dwaalgast in de Perzische Golf. Tunesië en Marokko: dwaalgast met enkele aanvaarde gevallen. Uit Libanon, Syrië en de rest van Arabië zijn geen zekere gevallen bekend, al zijn ze in de Levant te verwachten. Daarbuiten broedt hij van Schotland en Scandinavië door Rusland en Siberië tot aan de Lena; overwintert vooral op de Zwarte Zee, de Kaspische Zee, de Adriatische en Egeïsche Zee en langs de Noordwest-Europese kusten.

  • Wintergast (ca. okt–mrt)
  • Doortrek (mrt–apr, okt–nov)
  • donker = kerngebied, licht = dun verspreid
Dichtheidskaart uit de waarnemingen van GBIF (2006-10-01 – 2026-09-30), geteld per hokje van 0,7° en per maand en gedeeld door alle vogelwaarnemingen in datzelfde hokje — zo telt niet mee hoeveel vogelaars er kijken. De kleurdiepte volgt dat aandeel en loopt geleidelijk af; de kaart houdt zich dus niet aan landsgrenzen. Landcontouren: Natural Earth (publiek domein).

Hoe en wanneer kijken

De Middellandse Zeekust van Israël en de stranden bij Eilat geven tussen december en maart de beste kans. Scan bij kalme zee vanaf een havenpier; let op de witte flankvlek, die ook op afstand zichtbaar is.

Staat van instandhouding

Wereldwijd niet bedreigd, maar de Europese broedpopulatie gaat achteruit door waterstandsschommelingen, verstoring en predatie van nesten op de broedmeren. In de winter gevoelig voor olievervuiling en bijvangst in staande netten. In het gidsgebied als zeldzame gast zonder specifieke bedreigingen.

Wetenschappelijke naam

Gavia arctica | (Linnaeus, 1758)

Linnaeus beschreef de soort in 1758 als Colymbus arcticus; omdat ze later in een ander geslacht is geplaatst, staan auteur en jaartal tussen haakjes. Het geslacht Gavia werd in 1788 ingevoerd door Forster. Gavia is het Latijnse woord voor een niet nader bepaalde zeevogel. arctica is Latijn voor 'noordelijk', van het noordpoolgebied, waar de soort broedt. Het eerst beschreven exemplaar kwam uit Zweden.