Alle soorten › Zangvogels › Gorzen › Ortolaan

Ortolaan | Emberiza hortulana

Ortolan Bunting | Escribano hortelano

De ortolaan is een zachtgekleurde gors met een grijsgroene kop, een gele oogring en een gele keel, die in het gidsgebied plaatselijk broedt in de Atlas en in het bergland van de Levant. Veel belangrijker is de doortrek: in voor- en najaar trekken grote aantallen Europese en Aziatische vogels over de Sahara en door Arabië naar de Sahel en de Ethiopische hooglanden, en in de oases en wadi's is hij dan een van de gewoonste gorzen.

Ortolaan (Emberiza hortulana)
Foto: Сергей Неклюдов — CC BY 4.0 · Wikimedia Commons

Geluid

De zang bestaat uit vier tot zes gelijke, klagende tonen gevolgd door twee of drie lagere: sri sri sri sri – srü srü. Hij klinkt weemoedig en draagt ver over open land, en is ook op de voorjaarstrek al te horen. De roep is een kort, klokkend plet of tsjip en een dun tsjieu, vaak boven het hoofd bij trekkende vogels.

Luister: ZangXC1138433

Opname: Christian Kerihuel — CC BY-NC-SA 4.0 · omgezet naar mono · xeno-canto

Herkenning

16–17 cm. Slanke, langgestaarte gors met wit aan de buitenzijde van de staart en een vrij spitse, roze snavel. Het mannetje heeft een grijsgroene kop en borstband, een bleekgele keel en snorstreep, een duidelijke gele oogring en warm oranjebruine onderdelen; de rug is bruin met donkere strepen. Het vrouwtje is doffer, met fijne streepjes op kruin en borstband, maar houdt de gele oogring en de gelige keel. Jonge vogels in de herfst zijn bruin en op de borst sterk gestreept, en verraden zich vooral door de lichte oogring, de roze snavel en de bleekgele zweem op de keel.

Verwarrings­soorten

De bruinkeelortolaan (Emberiza caesia) heeft dezelfde bouw, oogring en roze snavel, maar een zuiver blauwgrijze kop, een warm oranjebruine keel en snorstreep, een witachtige oogring en dieper roestrode onderdelen. De steppegors (Emberiza buchanani), een dwaalgast in het oosten, is bleker, met een witte oogring, een witachtige keel en een ongestreepte grijze rug. De smyrnagors (Emberiza cineracea) is groter, grijs en wit onder en heeft een zware grijze snavel. De grijze gors (Emberiza cia) heeft zware zwarte kopstrepen; een vrouwtje zwartkopgors (Emberiza melanocephala) is groter en mist wit in de staart.

Leefgebied

Broedt op warme, open hellingen met akkers, struiken en losse bomen: graanakkers, wijngaarden, amandel- en olijfgaarden, terrassen en lichte eiken- en jeneverbesbossen, in de Atlas meestal tussen 1.200 en 2.300 m. Op doortrek in allerlei open land: akkers, irrigatieland, oases, wadi's met struiken en stenige vlakten.

Waar de vogel het meest zit, ingedeeld naar de leefgebieden van Noord-Afrika en het Midden-Oosten.

Verspreiding en trek

Broedt plaatselijk in de Midden- en Hoge Atlas van Marokko en in het noorden van Algerije, en in het oosten in Libanon, op de Hermon en de Golan, in de bergen van Syrië en in het bergland van Noord-Irak. Op doortrek in het hele gebied: in Noord-Afrika vooral langs de kust en de oases, in Egypte langs de Nijl en de Rode Zee, en talrijk in Israël, Jordanië, Irak, Koeweit en Saoedi-Arabië; in de Golfstaten en Oman schaarser. Een deel overwintert in de hooglanden van Zuidwest-Saoedi-Arabië en Jemen. Daarbuiten broedt hij van Iberië en Scandinavië tot Mongolië en overwintert hij in de Sahel en Ethiopië.

  • Jaarrond
  • Zomergast (ca. apr–sep)
  • Wintergast (ca. okt–mrt)
  • Doortrek (mrt–apr, okt–nov)
  • donker = kerngebied, licht = dun verspreid
Dichtheidskaart uit de waarnemingen van GBIF (2006-10-01 – 2026-09-30), geteld per hokje van 0,7° en per maand en gedeeld door alle vogelwaarnemingen in datzelfde hokje — zo telt niet mee hoeveel vogelaars er kijken. De kleurdiepte volgt dat aandeel en loopt geleidelijk af; de kaart houdt zich dus niet aan landsgrenzen. Landcontouren: Natural Earth (publiek domein).

Hoe en wanneer kijken

Eind april en begin mei zijn de groene velden van de Negev, de Arava en de Koeweitse boerderijen goed: luister naar het klokkende plet en kijk naar groepjes gorzen op de grond. In de Atlas zingt hij in mei en juni op zonnige hellingen met verspreide bomen boven de dorpen.

Staat van instandhouding

Wereldwijd niet bedreigd (IUCN: Least Concern), maar in Europa sterk afgenomen door veranderingen in de landbouw en vroeger ook door de vangst. In het gidsgebied een kleine en slecht bekende broedpopulatie; de doortrek gaat over lange afstanden en maakt de soort afhankelijk van rustplaatsen in oases en akkerland.

Wetenschappelijke naam

Emberiza hortulana | Linnaeus, 1758

Linnaeus beschreef de soort in 1758 en plaatste haar meteen in het geslacht waarin ze nog altijd staat. Het geslacht Emberiza voerde hij in datzelfde werk in. Emberiza komt uit het Oudhoogduits, van Embritz, een naam voor een gors. hortulana gaat terug op de Italiaanse naam voor deze vogel, ortolana. Het eerst beschreven exemplaar kwam uit Zweden.