Alle soorten › Zangvogels › Grasmussen › Moltoni's baardgrasmus
Moltoni's baardgrasmus | Curruca subalpina
Moltoni's Warbler | Curruca de Moltoni
Moltoni's baardgrasmus broedt op de eilanden en kusten rond de Tyrreense Zee en overwintert in de westelijke Sahel. Om daar te komen moet hij de Sahara oversteken, maar in Noord-Afrika is hij pas enkele keren met zekerheid vastgesteld: de baardgrasmussen zijn op de trek moeilijk uit elkaar te houden, en vrijwel alle gevallen zijn gevangen of op roep herkende vogels.
Geluid
De roep is het kenmerk: een droge, snelle ratel trrrrt van een halve tot een hele seconde, als van een winterkoning of staartmees. De zang is een snelle, hoge babbel waarin die ratel steeds terugkomt.
Opname: Zsombor Károlyi — CC BY-NC-SA 4.0 · omgezet naar mono · xeno-canto
Herkenning
12–13 cm. Klein en langstaartig, met een rode oogring. Het mannetje is koel blauwgrijs boven en van kin tot buik licht zalmroze, zonder scherpe grens; de witte baardstreep is kort en smal. Op de een-na-buitenste staartpen een vierkant wit puntje. Het vrouwtje is bruingrijs boven en roomwit met een lichte rozige zweem onder. De vogels ruien hun slagpennen pas in het winterkwartier en zien er in het voorjaar egaal en weinig gesleten uit.
Verwarringssoorten
De westelijke baardgrasmus (Curruca iberiae), die in de Maghreb broedt en er massaal doortrekt, heeft bij het mannetje een warmer, dieper oranjerood; de balkanbaardgrasmus (Curruca cantillans) een diep baksteenrode keel en borst met een scherpe grens tegen een witte buik en een smalle witte wig op de een-na-buitenste staartpen. Bij vrouwtjes en jonge vogels is alleen de roep beslissend: een droge ratel bij Moltoni's, tegenover een enkel tek bij de westelijke en een verdubbeld t-tret bij de balkanbaardgrasmus.
Leefgebied
Op de trek in elk struweel: maquis en garrigue aan de kust, struiken in de alfa-steppe en vooral oases en tuinen in de Sahara, waar trekvogels zich concentreren. Broedt in maquis, macchia en lichte eikenbossen.
Waar de vogel het meest zit, ingedeeld naar de leefgebieden van Noord-Afrika en het Midden-Oosten.
Verspreiding en trek
In het gidsgebied een dwaalgast: in Marokko zijn tot 2019 vier gevallen aanvaard, waaronder een vogel die op 18 april 2019 bij Merzouga werd geringd; in Algerije werd de soort in 2019 voor het eerst vastgesteld, onder meer bij El Borma in de Sahara (7 april 2019), en sindsdien enkele keren. De trekroute van Sardinië en Corsica naar de Sahel loopt vermoedelijk over Tunesië en Algerije, waar de soort waarschijnlijk vaker doortrekt dan bekend. Daarbuiten broedt hij op de Balearen, Corsica, Sardinië en in Noord- en Midden-Italië, en overwintert hij in de westelijke Sahel.
Hoe en wanneer kijken
Let in april in oases en tuinen in de Algerijnse en Tunesische Sahara op baardgrasmussen die ratelen in plaats van tikken, en neem de roep op: een opname is hier het sterkste bewijs. Ringstations zoals dat bij Merzouga hebben de meeste gevallen opgeleverd.
Staat van instandhouding
Wereldwijd niet bedreigd. De soort is pas in 2013 als aparte soort erkend; daardoor zijn oudere gevallen in Noord-Afrika onder de baardgrasmus samengevoegd en is het werkelijke voorkomen op de trek nog grotendeels onbekend.
Wetenschappelijke naam
Curruca subalpina | (Temminck, 1820)
Temminck beschreef de soort in 1820 als Sylvia subalpina; omdat ze later in een ander geslacht is geplaatst, staan auteur en jaartal tussen haakjes. Het geslacht Curruca werd in 1802 ingevoerd door Bechstein. Curruca is Latijn, de naam van een niet nader bepaald vogeltje dat bij de Romeinse dichter Juvenalis voorkomt. subalpina is Latijn voor 'onder de Alpen', van sub 'onder' en alpinus 'van de Alpen'. Het eerst beschreven exemplaar kwam uit Italië.


