Alle soorten › Zangvogels › Grasmussen › Hume's braamsluiper
Hume's braamsluiper | Curruca althaea
Hume's Whitethroat | Curruca de Hume
Hume's braamsluiper is een donkere, forse verwant van de braamsluiper uit de bergen van Iran en Centraal-Azië, die in India en Pakistan overwintert. In het gidsgebied is hij een zeldzame doortrekker en wintergast aan de oostrand van Arabië, en een van de lastigste grasmussen van het gebied.
Geluid
De roep is een droog, hard tsek, als bij de braamsluiper. De zang is gevarieerder en melodieuzer dan het ratelende eindtrillertje van de braamsluiper, met heldere fluittonen; in het gebied hoor je die zelden.
Opname: Arend Wassink — CC BY-NC-SA 3.0 · ingekort tot de eerste 60 s, mono · xeno-canto
Herkenning
13–14 cm, iets groter en zwaarder gebouwd dan de braamsluiper, met een stevigere snavel. De kruin is donker leigrijs en loopt zonder duidelijke grens over in het donkere oormasker, zodat de vogel een donkere kap lijkt te dragen. De bovendelen zijn donker grijsbruin, zonder roestbruin vleugelpaneel, en het contrast tussen kop en rug is kleiner dan bij de braamsluiper. Keel helderwit, onderdelen wit met een grijzig waas op de flanken. Buitenste staartpennen wit; poten donker leigrijs; iris donker. Geslachten gelijk.
Verwarringssoorten
De braamsluiper (Curruca curruca) is kleiner en bleker, met een lichtere grijze kruin waartegen het donkere oormasker duidelijk afsteekt en een fijnere snavel; de bleke Centraal-Aziatische vormen die in Arabië overwinteren zijn nog lichter. De oostelijke orpheusgrasmus (Curruca crassirostris) is duidelijk groter, met een zwaardere snavel, een lichte iris bij volwassen vogels en een donkere staart met witte zijkanten. Het vrouwtje van Ménétriés' zwartkop (Curruca mystacea) heeft lichte poten, een lichte oogring en geen donker masker. Vanwege de overlap is een zekere determinatie zonder goede foto's of geluidsopname vaak niet mogelijk.
Leefgebied
In het gidsgebied in doornstruweel, acacia's en prosopis in vlakten en wadi's, en in begroeide tuinen en parken. In het broedgebied in jeneverbes- en struikgewas op berghellingen tot boven 3000 m.
Waar de vogel het meest zit, ingedeeld naar de leefgebieden van Noord-Afrika en het Midden-Oosten.
Verspreiding en trek
In het gidsgebied een zeldzame doortrekker en wintergast: in de Verenigde Arabische Emiraten slechts enkele aanvaarde gevallen (maart en september), in Koeweit een zeldzame doortrekker in het westen bij Al Abraq, en in Oman en Oost-Saoedi-Arabië zeer schaars en vermoedelijk onderschat. Niet bekend uit de Levant en Noord-Afrika. Daarbuiten broedt hij in de bergen van Noordoost-Iran, Afghanistan, Pakistan en Centraal-Azië tot de Tiensjan, en overwintert hij in Pakistan, India en Sri Lanka.
Hoe en wanneer kijken
Let in maart en in de herfst op opvallend donkerkoppige braamsluipers in tuinen en struweel langs de oostkust van Arabië, en probeer roep en kop goed te fotograferen; meldingen worden door de nationale rariteitencommissies beoordeeld.
Staat van instandhouding
Wereldwijd niet bedreigd; de IUCN beoordeelt hem nog als deel van de braamsluiper. De taxonomie van het braamsluipercomplex is in beweging, en verwarring met donkere braamsluipers maakt de werkelijke status in het gebied onzeker.
Wetenschappelijke naam
Curruca althaea | (Hume, 1878)
Hume beschreef de soort in 1878 als Sylvia althaea; omdat ze later in een ander geslacht is geplaatst, staan auteur en jaartal tussen haakjes. Het geslacht Curruca werd in 1802 ingevoerd door Bechstein. Curruca is Latijn, de naam van een niet nader bepaald vogeltje dat bij de Romeinse dichter Juvenalis voorkomt. althaea verwijst naar Althaea, in de Griekse mythologie de moeder van Meleager; waarom Hume deze naam koos, is niet overgeleverd.

