Alle soorten › Kraanvogelachtigen › Rallen › Kwartelkoning

Kwartelkoning | Crex crex

Corn Crake | Guion de codornices

Een verborgen ral van droge graslanden die het gebied alleen op trek aandoet, op weg tussen Europa en Centraal-Azië en de winterkwartieren in Oost- en Zuidoost-Afrika. Vrijwel de hele wereldpopulatie trekt door het oosten van het gebied, via de Nijl, de Sinaï, de Levant en Arabië; in de herfst belanden er veel in de kwartelnetten langs de Egyptische kust.

Kwartelkoning (Crex crex)
Foto: Triinupohlak — CC BY-SA 4.0 · Wikimedia Commons

Geluid

De bekende zang is een droog, ratelend krèk-krèk, krèk-krèk, alsof je met een kam over een luciferdoosje strijkt, vooral 's nachts. In het gidsgebied hoor je hem zelden, omdat trekkers zwijgen; in het voorjaar roept een enkele doortrekker soms een paar nachten in een akker of luzerneveld.

Luister: ZangXC1173030

Opname: Marketa Rusarova — CC BY-NC-SA 4.0 · ingekort tot de eerste 60 s, mono · xeno-canto

Herkenning

Slank, met een korte, dikke roze-bruine snavel. Bovendelen geelbruin met donkere veercentra, geschubd ogend; gezicht en borst blauwgrijs bij de man (in de herfst grotendeels verdoezeld), bij vrouwtjes en jongen bleker beige; flanken roestbruin gebandeerd. In vlucht de opvallend roestrode vleugels en afhangende poten; de vlucht is zwak en kort, maar op trek legt hij grote afstanden af.

Verwarrings­soorten

In vlucht lijkt hij op de kwartel (Coturnix coturnix), die kleiner is, met snellere vleugelslagen en zonder roestrode vleugels en afhangende poten. Porseleinhoen (Porzana porzana) heeft witte stippels en een gele snavel en leeft in natte moerassen. De afrikaanse kwartelkoning (Crecopsis egregia), een uiterst zeldzame dwaalgast, is kleiner en donkerder, met zwart-wit gebandeerde flanken en zonder rood in de vleugel.

Leefgebied

Op trek in akkers, luzerne- en klaverpercelen, hooiland, ruigte langs kanalen, oases en kleine grasvelden in de woestijn, ook in tuinen en op golfbanen. Rust overdag verborgen in hoge begroeiing en trekt 's nachts.

Waar de vogel het meest zit, ingedeeld naar de leefgebieden van Noord-Afrika en het Midden-Oosten.

Verspreiding en trek

Doortrekker vooral door het oosten van het gebied. Egypte: talrijk langs de Middellandse Zeekust en de Nijl, in de herfst tot in Noord-Sinaï; ook in de oases van de Westelijke Woestijn. Regelmatig in Israël, Jordanië, Libanon, Syrië en Irak, en schaars maar jaarlijks in Saoedi-Arabië, Koeweit, de Golfstaten, de Verenigde Arabische Emiraten, Oman en Jemen. In Libië, Tunesië, Algerije en Marokko een schaarse doortrekker. Broedt van Europa en Noord-Turkije tot in Centraal-Siberië en overwintert in Afrika, vooral van Tanzania tot Zuid-Afrika.

  • Zomergast (ca. apr–sep)
  • Doortrek (mrt–apr, okt–nov)
  • donker = kerngebied, licht = dun verspreid
Dichtheidskaart uit de waarnemingen van GBIF (2006-10-01 – 2026-09-30), geteld per hokje van 0,7° en per maand en gedeeld door alle vogelwaarnemingen in datzelfde hokje — zo telt niet mee hoeveel vogelaars er kijken. De kleurdiepte volgt dat aandeel en loopt geleidelijk af; de kaart houdt zich dus niet aan landsgrenzen. Landcontouren: Natural Earth (publiek domein).

Hoe en wanneer kijken

Kansen zijn het grootst in september en oktober in de akkers en luzernevelden van Noord-Sinaï, de Nijldelta en de Arava, en in irrigatievelden in Arabië. Loop langzaam door luzerne of hooiland; een kwartelkoning vliegt laat op en valt na korte vlucht weer in, waarbij de roestrode vleugels het beste kenmerk zijn.

Staat van instandhouding

Na een sterke afname in de twintigste eeuw door mechanisch maaien in Europa geldt de soort inmiddels weer als niet bedreigd, dankzij grote populaties in Rusland en Centraal-Azië. In het gebied worden in de herfst veel trekkers samen met kwartels in netten langs de Egyptische en Libische kust gevangen.

Wetenschappelijke naam

Crex crex | (Linnaeus, 1758)

Linnaeus beschreef de soort in 1758 als Rallus Crex; omdat ze later in een ander geslacht is geplaatst, staan auteur en jaartal tussen haakjes. Het geslacht Crex werd in 1803 ingevoerd door Bechstein. Crex komt van het Oudgriekse krex en is klanknabootsend, naar de raspende, herhaalde roep. De soortnaam herhaalt de geslachtsnaam. Het eerst beschreven exemplaar kwam uit Zweden.