Alle soorten › Pelikaanachtigen › Reigers › Kwak

Kwak | Nycticorax nycticorax

Black-Crowned Night-Heron | Martinete común

Een gedrongen reiger van de schemering, zwart, grijs en wit met rode ogen, die overdag verscholen in bomen rust. Hij broedt verspreid van Marokko tot Irak en trekt in aantal door de Sahara, de Nijlvallei en de Levant.

Kwak (Nycticorax nycticorax)
Foto: Curzio Cavicchioli — CC BY-SA 4.0 · Wikimedia Commons

Geluid

Een hees, kort kwak of kwok, vooral in vlucht bij het vallen van de avond; in de kolonie kraak- en blafgeluiden.

Luister: Nachtelijke vluchtroepXC1183345

Opname: Timeo CONSTANT — CC BY-NC-SA 4.0 · omgezet naar mono · xeno-canto

Herkenning

Gedrongen, met korte hals en vrij korte poten. Volwassen vogels hebben een zwarte kruin en rug, grijze vleugels en staart, en witte onderdelen en voorhoofd; in de broedtijd twee of drie lange witte nekpluimen. Snavel dik en zwart, ogen groot en robijnrood, poten geel (in de balts roze). Jonge vogels zijn grijsbruin met witte druppelvlekken op de bovendelen en gestreepte onderdelen, het oog oranje. Tweedejaars vogels zijn tussenvormen met een effen bruinige rug. In vlucht met brede, afgeronde vleugels en poten die nauwelijks voorbij de staart uitsteken.

Verwarrings­soorten

Jonge vogels lijken op de roerdomp (Botaurus stellaris), maar die is groter en warmer goudbruin, zonder witte druppels en met een zwarte kruin en baardstreep. Jonge mangrovereiger (Butorides striata) is kleiner en slanker, met een langere, dunnere snavel en zonder grote witte druppels. De volwassen vogel is onmiskenbaar.

Leefgebied

Moerassen, rivieroevers met bomen of struiken, visvijvers, oases en irrigatiegebied. Rust overdag in dichte bomen, tamarisken of riet en foerageert in de schemering en 's nachts. Broedt in kolonies, vaak samen met andere reigers.

Waar de vogel het meest zit, ingedeeld naar de leefgebieden van Noord-Afrika en het Midden-Oosten.

Verspreiding en trek

Broedt in Marokko, Noord-Algerije, Tunesië en plaatselijk in Libië; in Egypte langs de Nijl, in de delta en de Fayoum het hele jaar aanwezig. In het oosten broedt hij in Israël (vooral de Hula- en Beit She'an-vallei en de kustvlakte), Libanon, Syrië, Jordanië en Irak. In april–mei en augustus–oktober trekt hij breed door de Sahara en de Levant, en ook door Arabië tot de Golfstaten, Oman en Jemen, waar kleine aantallen overwinteren. Daarbuiten broedt hij in Europa, Azië, Afrika en Amerika; Palearctische broedvogels overwinteren vooral in de Sahel en West-Afrika.

  • Jaarrond
  • Zomergast (ca. apr–sep)
  • Wintergast (ca. okt–mrt)
  • Doortrek (mrt–apr, okt–nov)
  • donker = kerngebied, licht = dun verspreid
Dichtheidskaart uit de waarnemingen van GBIF (2006-10-01 – 2026-09-30), geteld per hokje van 0,7° en per maand en gedeeld door alle vogelwaarnemingen in datzelfde hokje — zo telt niet mee hoeveel vogelaars er kijken. De kleurdiepte volgt dat aandeel en loopt geleidelijk af; de kaart houdt zich dus niet aan landsgrenzen. Landcontouren: Natural Earth (publiek domein).

Hoe en wanneer kijken

Bij zonsondergang vliegen kwakken uit hun dagrustplaatsen boven de visvijvers van de Hula-vallei en langs de Nijl in Caïro en Luxor. Op trek rusten ze overdag in tamarisken of palmen in oases en kibboetsen; zoek in het voorjaar in de Arava en bij Eilat naar groepjes in dichte bomen.

Staat van instandhouding

Wereldwijd niet bedreigd. In Europa en Noord-Afrika plaatselijk afgenomen door verlies van wetlands en verstoring van kolonies; ook afschot bij viskwekerijen en droogte in de Sahel, waar hij overwintert, spelen een rol.

Wetenschappelijke naam

Nycticorax nycticorax | (Linnaeus, 1758)

Linnaeus beschreef de soort in 1758 als Ardea Nycticorax; omdat ze later in een ander geslacht is geplaatst, staan auteur en jaartal tussen haakjes. Het geslacht Nycticorax werd in 1817 ingevoerd door Forster. Nycticorax is Grieks, van nux, genitief nuktos, 'nacht' en korax 'raaf': nachtraaf. Bij Aristoteles en Hesychius is het een onheilsvogel, misschien een uil; Conrad Gessner gebruikte het woord in 1555 voor deze reiger. De soortnaam herhaalt de geslachtsnaam. Het eerst beschreven exemplaar kwam uit zuidelijk Europa.