Alle soorten › Zangvogels › Boszangers › Dwergtjiftjaf
Dwergtjiftjaf | Phylloscopus neglectus
Plain Leaf Warbler | Mosquitero sencillo
De dwergtjiftjaf is de kleinste boszanger van het gidsgebied: een grauw, ongetekend vogeltje uit de bergen van Iran en Centraal-Azië. Hij overwintert in lager gelegen droog bos en struweel, en in het gidsgebied alleen in het uiterste oosten, in het Hajargebergte van Oman en de Emiraten en de vlakten aan de voet ervan.
Geluid
De roep is een hard, droog tsjrit of tikkend tak, soms in een korte reeks, anders dan het zachte fluitje van de tjiftjaf. De zang, al in het late voorjaar te horen, is een korte, snelle, hoge kwetterstrofe.
Opname: Erik Wahlgren — CC BY-NC-SA 4.0 · omgezet naar mono · xeno-canto
Herkenning
9–10 cm. Heel klein, compact en kortstaartig, iets groter dan een goudhaantje. Bovendelen egaal grijsbruin, zonder groen of geel; onderdelen vuilwit met een licht beige waas op borst en flanken. Korte, vaag beige wenkbrauwstreep die achter het oog vervaagt, een smalle donkere oogstreep en een smalle lichte oogring. Geen vleugelstreep; vleugels kort. Snavel fijn en donker, poten donkergrijs tot zwartachtig. Zeer beweeglijk, met vaak trillende vleugels en wippende staart.
Verwarringssoorten
De bergtjiftjaf (Phylloscopus sindianus) is groter, langstaartiger en warmer bruin op wangen, borst en flanken. De tjiftjaf (Phylloscopus collybita) is groter en olijfkleuriger, met wat geel bij de vleugelboeg en een zacht hu-iet. Humes bladkoning (Phylloscopus humei) heeft een lange wenkbrauwstreep en een duidelijke vleugelstreep. De woestijngrasmus (Curruca nana) is groter, zandkleurig, met een gele iris en een roodbruine staart.
Leefgebied
In de winter droog open bos en struweel: acacia's en Prosopis in wadi's en op de vlakten aan de voet van het Hajargebergte, boomgaarden en begroeide berghellingen, van zeeniveau tot ongeveer 1000 m. Broedt in eiken- en jeneverbesbos en alpiene struwelen hoog in de bergen, buiten het gidsgebied.
Waar de vogel het meest zit, ingedeeld naar de leefgebieden van Noord-Afrika en het Midden-Oosten.
Verspreiding en trek
Wintergast in Noord-Oman (Hajargebergte en de Batinahvlakte, plaatselijk ook in het binnenland) en in de oostelijke Emiraten (Hajar, rond Hatta en Masafi, en de omgeving van Al Ain met Green Mubazzarah en Jebel Hafeet); daar op weinig plekken, maar betrouwbaar. Daarbuiten in het gidsgebied hooguit een dwaalgast. Broedt in de bergen van Iran (Zagros en Elboers), Turkmenistan, Afghanistan, Pakistan en Tadzjikistan en overwintert in Zuid-Iran, Pakistan, Noordwest-India en Noordoost-Arabië.
- Zomergast (ca. apr–sep)
- Wintergast (ca. okt–mrt)
- Doortrek (mrt–apr, okt–nov)
- donker = kerngebied, licht = dun verspreid
Hoe en wanneer kijken
Van december tot februari in de begroeide wadi's van het Hajargebergte of bij Green Mubazzarah aan de voet van Jebel Hafeet: zoek in acacia's naar een piepklein grijs vogeltje met trillende vleugels en luister naar het harde tsjrit. Reageert vaak sterk op de eigen zang.
Staat van instandhouding
Wereldwijd niet bedreigd. In het overwinteringsgebied in Arabië gevoelig voor het kappen van acacia's en voor overbegrazing en droogte in de wadi's.
Wetenschappelijke naam
Phylloscopus neglectus | Hume, 1870
Hume beschreef de soort in 1870 en plaatste haar meteen in het geslacht waarin ze nog altijd staat. Het geslacht Phylloscopus werd in 1826 ingevoerd door Boie. Phylloscopus is Grieks, van phullon 'blad' en skopos 'speurder', van skopeō 'kijken': de vogel die de bladeren afzoekt. neglectus is Latijn voor 'over het hoofd gezien' of 'verwaarloosd'. Het eerst beschreven exemplaar kwam uit Bahawalpur in Punjab, Pakistan.


