Alle soorten › Uilen › Echte uilen › Dwergooruil

Dwergooruil | Otus scops

Eurasian Scops-Owl | Autillo europeo

Een kleine, slanke oorduil die veel vaker wordt gehoord dan gezien: zijn eentonige fluittoon klinkt op zomeravonden in de Atlas, in Mediterrane dorpen en in de bergen van de Levant. In voor- en najaar trekt hij door het hele gebied, ook over de Sahara en het Arabisch schiereiland.

Dwergooruil (Otus scops)
Foto: BirderSajan — CC BY-SA 4.0 · Wikimedia Commons

Geluid

De zang is een zuiver, kort fluitend tjuu, met een regelmaat van ongeveer twee à drie seconden urenlang herhaald, vaak in duet met het vrouwtje dat iets hoger fluit. Dit lijkt op de roep van een vroedmeesterpad, die in dezelfde nachten roept.

Luister: ZangXC1170209

Opname: Thierry THOMAS — CC BY-NC-SA 4.0 · omgezet naar mono · xeno-canto

Herkenning

Klein en slank, met korte oorpluimen die hij bij rust plat kan leggen of rechtop zet. Het verenkleed is grijsbruin, fijn gevlekt en gestreept als boomschors, met een rij lichte vlekken op de schouders en dunne zwarte schachtstrepen op de onderdelen. De ogen zijn geel. Er zijn grijzere en bruinere vogels. Overdag zit hij uitgerekt en met dichtgeknepen ogen tegen een stam, nagenoeg onzichtbaar. De vleugels zijn lang en spits voor een kleine uil.

Verwarrings­soorten

De gestreepte dwergooruil (Otus brucei) is bleker en effener zandgrijs, met minder fijne vermiculatie, duidelijker zwarte lengtestrepen op de borst, een witter gezicht en een heel andere zang. De Arabische dwergooruil (Otus pamelae) in het zuidwesten van Arabië is kleiner en bleker, met kortere vleugels. De steenuil (Athene noctua) heeft een plat hoofd zonder oorpluimen en zit overdag open op stenen.

Leefgebied

Halfopen landschap met verspreide bomen: olijfgaarden, boomgaarden, lichte eiken- en cederbossen, populieren langs beken, parken en dorpstuinen met oude bomen. Nestelt in boomholtes, spechtengaten en muurgaten, ook in nestkasten. Jaagt vooral op grote insecten, zoals sprinkhanen, krekels en nachtvlinders. Op trek in elk bosje, in oases en palmtuinen, zelfs in de woestijn.

Waar de vogel het meest zit, ingedeeld naar de leefgebieden van Noord-Afrika en het Midden-Oosten.

Verspreiding en trek

Broedt in Noord-Marokko, de Middel- en Hoge Atlas en de Rif, in Noord-Algerije en Noord-Tunesië, en in Libië in de Jebel Akhdar van Cyrenaica. In het oosten broedt hij in Libanon, West-Syrië, Noord-Israël (Galilea, de Golan en de Hermon), plaatselijk in Noord-Jordanië en in Iraaks Koerdistan. Een kleine winterpopulatie blijft in de laaglanden van Marokko, Algerije en Tunesië. Op doortrek, vooral in april–mei en september–oktober, verschijnt hij in heel Noord-Afrika inclusief de Saharaoases en Egypte, in Israël en Jordanië, en in kleine aantallen verspreid over Saoedi-Arabië, Koeweit, Bahrein, Qatar, de Emiraten en Oman. Daarbuiten broedt hij van Zuid-Europa tot Centraal-Azië en overwintert hij in de Sahel en de savannes ten zuiden van de Sahara.

  • Jaarrond
  • Zomergast (ca. apr–sep)
  • Wintergast (ca. okt–mrt)
  • Doortrek (mrt–apr, okt–nov)
  • donker = kerngebied, licht = dun verspreid
Dichtheidskaart uit de waarnemingen van GBIF (2006-10-01 – 2026-09-30), geteld per hokje van 0,7° en per maand en gedeeld door alle vogelwaarnemingen in datzelfde hokje — zo telt niet mee hoeveel vogelaars er kijken. De kleurdiepte volgt dat aandeel en loopt geleidelijk af; de kaart houdt zich dus niet aan landsgrenzen. Landcontouren: Natural Earth (publiek domein).

Hoe en wanneer kijken

Luister op een warme avond in mei of juni in de cederstadjes van de Middel-Atlas, zoals Ifrane en Azrou, of in de dorpen van de Libanese bergen: zodra de zang klinkt, is de vogel met een zaklamp vaak op een tak te vinden. Op trek zoeken in de bomen van tuinen in Eilat of in parken in de Golfstaten.

Staat van instandhouding

Niet bedreigd. In Europa en Noord-Afrika plaatselijk achteruitgegaan door het verdwijnen van oude bomen, het gebruik van insecticiden en de intensivering van de landbouw; op trek sterven vogels door illegale vangst en verkeer.

Wetenschappelijke naam

Otus scops | (Linnaeus, 1758)

Linnaeus beschreef de soort in 1758 als Strix Scops; omdat ze later in een ander geslacht is geplaatst, staan auteur en jaartal tussen haakjes. Het geslacht Otus werd in 1769 ingevoerd door Pennant. Otus is Latijn voor 'ooruil', ontleend aan het Griekse ōtos, bij ous 'oor'. scops komt van het Griekse skōps, de klassieke naam voor een kleine ooruil. Het eerst beschreven exemplaar kwam uit Italië.