Alle soorten › Zangvogels › Grasmussen › Brilgrasmus

Brilgrasmus | Curruca conspicillata

Spectacled Warbler | Curruca tomillera

De brilgrasmus is een miniatuurgrasmus van lage, open vegetatie: zoutstruweel rond chotts en sebkha's, garrigue, kustduinen en de randen van de halfwoestijn. In het gidsgebied broedt hij van de Atlantische kust van Marokko tot de Levant, en het is vaak de enige grasmus in het lege, vlakke struweel waar andere soorten ontbreken.

Brilgrasmus (Curruca conspicillata)
Foto: El Golli Mohamed — CC BY-SA 4.0 · Wikimedia Commons

Geluid

De zang is een snel, hoog en melodieus deuntje van twee tot vier seconden, zoeter dan de krassende babbel van de grasmus, vaak met een paar heldere fluittonen aan het begin en een versnellend trillertje aan het eind, vanaf een lage struik of in een fladderend zangvluchtje. De roep is het beste kenmerk: een droge, snorrende ratel, drrrrt, bij de minste onrust, en een kort tsjek.

Luister: ZangXC1094172

Opname: Thierry THOMAS — CC BY-NC-SA 4.0 · omgezet naar mono · xeno-canto

Herkenning

12–13 cm. Klein, rond en kort van vleugel, met een lange staart die vaak schuin omhoog wordt gehouden. Het mannetje heeft een grijze kop met zwartgrijze teugels en oordekveren en daarin een brede, helderwitte oogring; de keel is zuiver wit. De mantel is warm roodbruin, de vleugel draagt een fel roestrood paneel, de onderdelen zijn roze-beige. Snavel fijn met een lichte basis, poten geel- tot oranjeachtig strokleurig. Het vrouwtje heeft een bruinere kop zonder donker masker, maar behoudt de witte oogring en het roestrode vleugelpaneel. De handpenprojectie is zeer kort.

Verwarrings­soorten

De grasmus (Curruca communis) is groter en langer van vleugelpunt, heeft geen donker masker, een smalle oogring en een minder fel vleugelpaneel. De westelijke baardgrasmus (Curruca iberiae) heeft een rode oogring, een witte baardstreep en een egaal grijsbruine vleugel. De Atlasgrasmus (Curruca deserticola) heeft ook een roestrode vleugel, maar een oranjebruine onderkant tot op de buik en zit in bergstruweel. Ménétriés' zwartkop (Curruca mystacea), in de Levant op trek, heeft een donkere staart en geen roestrood in de vleugel.

Leefgebied

Lage, open vegetatie tot kniehoogte: zeekraal- en zoutstruweel rond chotts, sebkha's en kustlagunes, garrigue met tijm en Salsola, alfa-steppe met lage struikjes, kustduinen en struweel aan de rand van de halfwoestijn; ook in de Dode Zeevallei. Mijdt hoog struweel en bos. In de winter ook in oases, akkerranden en tamarisk.

Waar de vogel het meest zit, ingedeeld naar de leefgebieden van Noord-Afrika en het Midden-Oosten.

Verspreiding en trek

Broedt in heel de Maghreb: in Marokko van de Atlantische kust en de vlakten tot de hoogvlakten in het oosten en de noordrand van de Sahara, in Noord-Algerije (vooral rond de chotts van de Hoge Plateaus), in Tunesië tot in het zuiden, en in Libië in Tripolitanië en Cyrenaica. In Egypte broedt hij langs de Middellandse Zeekust ten westen van Alexandrië en in Noord-Sinaï. In de Levant in Israël (vooral de Negev, de Dode Zeevallei en de kust), Jordanië, Libanon en West-Syrië. In de winter verplaatsen noordelijke vogels zich naar de Saharakant, de oases en de Nijlvallei; in Noord-Saoedi-Arabië een schaarse wintergast. Daarbuiten rond de Middellandse Zee, op Cyprus en in Zuid-Turkije, en op de Canarische en Kaapverdische Eilanden en Madeira.

  • Jaarrond
  • Zomergast (ca. apr–sep)
  • Wintergast (ca. okt–mrt)
  • Doortrek (mrt–apr, okt–nov)
  • donker = kerngebied, licht = dun verspreid
Dichtheidskaart uit de waarnemingen van GBIF (2006-10-01 – 2026-09-30), geteld per hokje van 0,7° en per maand en gedeeld door alle vogelwaarnemingen in datzelfde hokje — zo telt niet mee hoeveel vogelaars er kijken. De kleurdiepte volgt dat aandeel en loopt geleidelijk af; de kaart houdt zich dus niet aan landsgrenzen. Landcontouren: Natural Earth (publiek domein).

Hoe en wanneer kijken

Zoek het zoutstruweel rond de chotts in Tunesië (Chott el Djerid) of de lagunes bij Oued Massa en Khnifiss in Marokko; in Israël bij de zoutpannen van Eilat en langs de Dode Zee. De snorrende ratel uit een laag struikje is meestal het eerste teken.

Staat van instandhouding

Wereldwijd niet bedreigd. In Noord-Afrika wijd verbreid en plaatselijk talrijk; gevoelig voor ontginning en overbegrazing van steppe en zoutstruweel en voor bebouwing langs de kust.

Wetenschappelijke naam

Curruca conspicillata | (Temminck, 1820) (GBIF: Sylvia conspicillata)

Temminck beschreef de soort in 1820 als Sylvia conspicillata; omdat ze later in een ander geslacht is geplaatst, staan auteur en jaartal tussen haakjes. Het geslacht Curruca werd in 1802 ingevoerd door Bechstein. Curruca is Latijn, de naam van een niet nader bepaald vogeltje dat bij de Romeinse dichter Juvenalis voorkomt. conspicillata gaat terug op het Latijnse conspicillum 'plaats om vanuit te kijken' en betekent zoveel als 'gebrild'. Het eerst beschreven exemplaar kwam uit Sardinië.