Alle soorten › Zangvogels › Grasmussen › Oostelijke orpheusgrasmus

Oostelijke orpheusgrasmus | Curruca crassirostris

Eastern Orphean Warbler | Curruca mirlona oriental

De oostelijke orpheusgrasmus is de grootste en zwaarste grasmus van de Levant, met een dikke snavel, een zwarte kap en een licht oog. Hij broedt in open bos en boomgaarden van Israël tot Irak en trekt door Arabië en Egypte naar Noordoost-Afrika; zijn lange, vloeiende zang is een vaste klank van het voorjaar in de heuvels van de Levant.

Oostelijke orpheusgrasmus (Curruca crassirostris)
Foto: Christoph Moning — CC BY 4.0 · Wikimedia Commons

Geluid

De zang is langer en gevarieerder dan bij de westelijke soort: een vloeiende stroom van heldere, fluitende, lijsterachtige motiefjes, afgewisseld met krassende tussenzinnen, soms minutenlang. De roep is een hard tsjek, bij onraad een ratelende reeks.

Luister: VluchtroepXC1134833

Opname: Stanislas Wroza — CC BY-NC-SA 4.0 · ingekort tot de eerste 60 s, mono · xeno-canto

Herkenning

15–16 cm. Groot, met een lange, dikke en spitse snavel en een lange staart met helderwitte buitenste staartpennen. Het mannetje heeft een zwarte kap die tot ver onder het oog doorloopt, scherp afgezet tegen een witte keel en een grijze mantel; de iris is bij oude vogels wit tot bleekgeel. Onderdelen wit, met een lichte grijze of buffige zweem op de flanken. Vrouwtjes hebben een grijzere kap met minder contrast; jonge vogels zijn grijsbruin, met een donker oog en weinig contrast.

Verwarrings­soorten

De westelijke orpheusgrasmus (Curruca hortensis) komt in het gebied alleen in de Maghreb voor; hij heeft een grijzere kap, een roomkleurige tot roze getinte borst en een kortere, eenvoudiger zang. De Arabische zwartkop (Curruca leucomelaena) heeft een donker oog, korte, ronde vleugels zonder handpenprojectie, een doffere kap en een langere staart die hij zwaait. De sperwergrasmus (Curruca nisoria) heeft geen donkere kap. De kleine zwartkop (Curruca melanocephala) en Rüppells grasmus (Curruca ruppeli) zijn veel kleiner; het mannetje van de laatste heeft een zwarte keel met een witte baardstreep.

Leefgebied

Open, droog bos en struweel met verspreide bomen: lichte eiken- en pistachebossen in de heuvels, jeneverbes- en acaciastruweel, olijf- en fruitboomgaarden en struikrijke berghellingen, in Libanon tot ongeveer 2000 m. Op de trek in elk struweel met bomen, in oases, tuinen en acaciawadi's. Eet insecten en in de nazomer bessen.

Waar de vogel het meest zit, ingedeeld naar de leefgebieden van Noord-Afrika en het Midden-Oosten.

Verspreiding en trek

Zomergast, van april tot september, in Israël (Galilea, de Golan, de Karmel, de bergen van Samaria en Judea en plaatselijk in de Negevhooglanden), Jordanië (de westelijke hooglanden), Libanon, Syrië en Noord-Irak (Koerdistan). Op de trek, in maart–april en september–oktober, door Egypte (vooral de Sinaï en de Rode Zeekust), Saoedi-Arabië (vrij talrijk in het westen, schaars aan de Golf), Koeweit, de Golfstaten, Jemen en Oman; enkele vogels overwinteren in de Emiraten en Oman. In de Maghreb vrijwel onbekend. Het merendeel overwintert in Noordoost-Afrika (Soedan, Eritrea, Ethiopië), de oostelijke vorm jerdoni in India. Daarbuiten broedt hij van de Balkan en Turkije door de Kaukasus en Iran tot Centraal-Azië en Pakistan.

  • Zomergast (ca. apr–sep)
  • Wintergast (ca. okt–mrt)
  • Doortrek (mrt–apr, okt–nov)
  • donker = kerngebied, licht = dun verspreid
Dichtheidskaart uit de waarnemingen van GBIF (2006-10-01 – 2026-09-30), geteld per hokje van 0,7° en per maand en gedeeld door alle vogelwaarnemingen in datzelfde hokje — zo telt niet mee hoeveel vogelaars er kijken. De kleurdiepte volgt dat aandeel en loopt geleidelijk af; de kaart houdt zich dus niet aan landsgrenzen. Landcontouren: Natural Earth (publiek domein).

Hoe en wanneer kijken

In april en mei in het open eikenbos van de Golan, de Karmel of de Galilea, of in de olijfgaarden van Noord-Jordanië bij Ajloun; luister naar de lange, fluitende zang vanaf een boomtop. Op de trek in Eilat en de acaciawadi's van de Sinaï, in Saoedi-Arabië vooral in maart en april langs de westkust.

Staat van instandhouding

Wereldwijd niet bedreigd. In de Levant plaatselijk achteruitgegaan door het verdwijnen van open bos en traditionele boomgaarden, intensievere landbouw en bebouwing; op de trek ook slachtoffer van vogelvangst. De westelijke en oostelijke orpheusgrasmus worden tegenwoordig algemeen als aparte soorten behandeld.

Wetenschappelijke naam

Curruca crassirostris | (Cretzschmar, 1830) (GBIF: Sylvia crassirostris)

Cretzschmar beschreef de soort in 1830 als Sylvia crassirostris; omdat ze later in een ander geslacht is geplaatst, staan auteur en jaartal tussen haakjes. Het geslacht Curruca werd in 1802 ingevoerd door Bechstein. Curruca is Latijn, de naam van een niet nader bepaald vogeltje dat bij de Romeinse dichter Juvenalis voorkomt. crassirostris is Latijn, van crassus 'dik' en rostrum 'snavel': dikbekkig. Het eerst beschreven exemplaar kwam uit Nubië.