Alle soorten › Zangvogels › Rietzangers › Bosrietzanger

Bosrietzanger | Acrocephalus palustris

Marsh Warbler | Carricero políglota

De bosrietzanger is een effen olijfbruine karekiet die beroemd is om zijn zang vol imitaties van Europese en Afrikaanse vogels. Op weg tussen Europa en Zuidoost-Afrika trekt hij door het oosten van het gidsgebied, laat in het voorjaar en vaak met een lange pleisterpauze in de herfst; in de Maghreb is hij een zeldzaamheid.

Bosrietzanger (Acrocephalus palustris)
Foto: Аимаина хикари — CC0 · Wikimedia Commons

Geluid

De zang is snel, luid en zeer gevarieerd, een vloeiende stroom van imitaties van tientallen Europese én Afrikaanse soorten, afgewisseld met nasale tsjeh-wie-motieven en snelle trillers. Doortrekkers zingen in het voorjaar regelmatig, ook 's nachts. De roep is een hard tsjek en een ratelend tsjrr.

Luister: ZangXC1162634

Opname: FlackoWeasel — CC BY-NC-SA 4.0 · ingekort tot de eerste 60 s, mono · xeno-canto

Herkenning

13–15 cm. Bovendelen effen olijfbruin met een gelige tint, zonder warme stuit; onderdelen bleek geelachtig wit, met gelig beige flanken. Kop rond met een vrij steil voorhoofd; korte, vage wenkbrauwstreep vooral vóór het oog en een opvallende lichte oogring. De handpenprojectie is lang, met lichte, scherp afgetekende handpenpunten, en de tertials hebben lichte zomen. Poten bleek vleeskleurig tot geelbruin, met gele voetzolen. Jonge vogels in de herfst zijn warmer bruin en dan moeilijk van de kleine karekiet te scheiden.

Verwarrings­soorten

De kleine karekiet (Acrocephalus scirpaceus) heeft een warmere, roestbruine stuit, een vlakker voorhoofd, een iets kortere handpenprojectie en donkerder, grijzere poten; de oostelijke vorm fuscus is grijzer en lijkt daardoor nog meer op de bosrietzanger. De struikrietzanger (Acrocephalus dumetorum) is koel grijsbruin, met een korte handpenprojectie zonder lichte punten, effen tertials en donkere poten. Spotvogels zoals de oostelijke vale spotvogel (Iduna pallida) hebben een bredere snavel en een vierkante staart met lichte randen.

Leefgebied

In de broedgebieden ruigte met brandnetels, wilgenroosje en struiken langs sloten en akkerranden, niet in riet boven water. Op de trek in dichte struiken, tamarisken, tuinen, parken, oases, waterzuiveringen en ruige randen van irrigatievelden.

Waar de vogel het meest zit, ingedeeld naar de leefgebieden van Noord-Afrika en het Midden-Oosten.

Verspreiding en trek

Doortrekker door het oosten van het gebied, op een vrij smalle route via het oostelijke Middellandse Zeegebied, de Levant en Arabië naar de Hoorn van Afrika. In Egypte (vooral de Sinaï en de Rode Zeekust), Israël, Jordanië, Libanon, Syrië, Irak, Koeweit en Saoedi-Arabië een vrij algemene doortrekker; in Jemen, Oman, de Verenigde Arabische Emiraten, Bahrein en Qatar vrij algemeen tot schaars, met in de herfst lange pleisterperioden in Arabië en Noordoost-Afrika. De voorjaarstrek is laat, van half mei tot in juni. In Libië schaars; in Tunesië, Algerije en Marokko een zeldzame doortrekker. Broedt van Noordwest-Europa tot West-Siberië en overwintert in Zuidoost-Afrika.

  • Zomergast (ca. apr–sep)
  • Doortrek (mrt–apr, okt–nov)
  • donker = kerngebied, licht = dun verspreid
Dichtheidskaart uit de waarnemingen van GBIF (2006-10-01 – 2026-09-30), geteld per hokje van 0,7° en per maand en gedeeld door alle vogelwaarnemingen in datzelfde hokje — zo telt niet mee hoeveel vogelaars er kijken. De kleurdiepte volgt dat aandeel en loopt geleidelijk af; de kaart houdt zich dus niet aan landsgrenzen. Landcontouren: Natural Earth (publiek domein).

Hoe en wanneer kijken

Eind mei in een ringstation of een groene tuin langs de Golf van Akaba of in Koeweit: een karekiet die voluit zingt met imitaties van Afrikaanse vogels is vrijwel zeker een bosrietzanger. Let bij stille vogels op de lange handpenprojectie, de lichte tertialzomen en de bleke poten.

Staat van instandhouding

Wereldwijd niet bedreigd. In het gidsgebied een regelmatige doortrekker zonder bekende problemen, afgezien van het verdwijnen van groene pleisterplaatsen in droge gebieden.

Wetenschappelijke naam

Acrocephalus palustris | (Bechstein, 1798)

Bechstein beschreef de soort in 1798 als Motacilla s. Sylvia palustris; omdat ze later in een ander geslacht is geplaatst, staan auteur en jaartal tussen haakjes. Het geslacht Acrocephalus werd in 1811 ingevoerd door Naumann & Naumann. Acrocephalus is Grieks, van akros 'hoogste, spits' en kephalē 'kop'; de Naumanns, die het geslacht invoerden, noemden deze vogels Spitzkopf en vatten akros dus op als 'spits'. palustris is Latijn voor 'moerassig'. Het eerst beschreven exemplaar kwam uit Duitsland.