Alle soorten › Eendachtigen › Eenden, ganzen en zwanen › Bergeend
Bergeend | Tadorna tadorna
Common Shelduck | Tarro blanco
De bergeend is een grote, ganzachtige eend van zoute en brakke wateren, met een helder bont verenkleed van wit, groenzwart en kastanjebruin. In het gidsgebied is hij vooral een wintergast van lagunes, zoutpannen en sebkha's, met grote aantallen in Tunesië.
Geluid
Het mannetje geeft een hoog, fluitend sjwie-sjwie-sjwie, vooral in de balts; het vrouwtje een nasaal, snel kakelend ga-ga-ga-ga-ga en een lager aahk.
Opname: Jarek Matusiak — CC BY-NC-SA 4.0 · omgezet naar mono · xeno-canto
Herkenning
Ongeveer 62 cm, wit met een groenzwarte kop en hals, een brede kastanjebruine band over de borst, zwarte schouders en een donkere streep over het midden van de buik. De snavel is felrood, de poten zijn roze. Het mannetje heeft in de broedtijd een opvallende rode knobbel op de snavelbasis; het vrouwtje is iets kleiner en doffer, met witte vlekjes aan de snavelbasis en een smallere borstband. Jonge vogels zijn grijsbruin en wit, zonder borstband, met een witte voorhals en een vleeskleurige snavel. In vlucht wit met zwarte handpennen en groenglanzende armpennen.
Verwarringssoorten
Vrijwel onmiskenbaar. Een mannetje slobeend (Spatula clypeata) heeft ook een groene kop, witte borst en kastanjebruin, maar is veel kleiner, met de kastanjebruine kleur op de flanken en een brede donkere snavel. Jonge bergeenden kunnen in vlucht op een kleine gans lijken, maar het zwart-witte vleugelpatroon is duidelijk dat van een eend.
Leefgebied
Zoute en brakke wateren met slikkige oevers: lagunes, getijdenvlakten, zoutpannen, sebkha's en chotts, ook visvijvers en zuiveringsbekkens. Filtert met zwaaiende snavel slakjes (vooral wadslakjes), kreeftjes en ander klein bodemleven uit het slik. Nestelt in holen, zoals konijnenholen, of onder dichte struiken.
Waar de vogel het meest zit, ingedeeld naar de leefgebieden van Noord-Afrika en het Midden-Oosten.
Verspreiding en trek
Broedt in klein aantal in Tunesië en Algerije, bij zoutmeren en lagunes van de kust en van de hoogvlakten; in Marokko slechts sporadisch. Talrijke wintergast in Tunesië, vooral rond het Meer van Tunis en de Golf van Gabès; verder in de winter langs de kust van Algerije en Libië, in de Nijldelta en op het Bardawilmeer in Egypte, in Israël en in Irak, en schaarser aan de Perzische Golf in Koeweit, Bahrein, Qatar, Oost-Saoedi-Arabië en de Verenigde Arabische Emiraten; dwaalgast verder zuidelijk op het Arabisch Schiereiland. Daarbuiten broedend langs de kusten van Noordwest-Europa en in Centraal-Azië, met overwintering tot aan de Middellandse Zee en Zuidoost-Azië.
- Jaarrond
- Zomergast (ca. apr–sep)
- Wintergast (ca. okt–mrt)
- Doortrek (mrt–apr, okt–nov)
- donker = kerngebied, licht = dun verspreid
Hoe en wanneer kijken
In de winter op het Meer van Tunis of de zoutpannen van Sfax, waar groepen van honderden vogels op het slik foerageren. Bij laagwater is de soort ook op de Golf van Gabès met een telescoop goed te zien. De witte kleur valt al van grote afstand op.
Staat van instandhouding
Niet bedreigd en in grote delen van het areaal stabiel of toenemend. Gevoelig voor verlies en verstoring van lagunes en zoutpannen, en voor olievervuiling langs de kust.
Wetenschappelijke naam
Tadorna tadorna | (Linnaeus, 1758)
Linnaeus beschreef de soort in 1758 als Anas Tadorna; omdat ze later in een ander geslacht is geplaatst, staan auteur en jaartal tussen haakjes. Het geslacht Tadorna werd in 1822 ingevoerd door Boie. Tadorna komt via het Franse tadorne van een oudere, waarschijnlijk Keltische naam voor een bonte watervogel. De soortnaam herhaalt de geslachtsnaam. Het eerst beschreven exemplaar kwam uit Zweden.

