Alle soorten › Eendachtigen › Eenden, ganzen en zwanen › Casarca
Casarca | Tadorna ferruginea
Ruddy Shelduck | Tarro canelo
De casarca is een grote, oranjebruine halfgans van open, droog land met zoutmeren en reservoirs. In de Maghreb is hij een karaktervogel van de Atlas en de hoogvlakten, waar paren luid toeterend boven kale hellingen en meertjes vliegen.
Geluid
Een luid, nasaal en toeterend aang of a-ong, vaak herhaald en ver dragend, vooral in de vlucht; het vrouwtje roept hoger en hees. Paren en groepen roepen veel, ook 's nachts.
Opname: Bo Shunqi 薄顺奇 — CC BY-NC-SA 4.0 · omgezet naar mono · xeno-canto
Herkenning
Ongeveer 64 cm, egaal oranje-roestbruin met een duidelijk lichtere, roomkleurige tot geelbruine kop. Snavel en poten zijn zwart. Het mannetje heeft in de broedtijd een smalle zwarte halsring; het vrouwtje mist die en heeft een witter gezicht. In vlucht zijn de witte vleugeldekveren, de zwarte handpennen en de groenglanzende armpennen sterk contrasterend; de staart is zwart. Jonge vogels zijn doffer en grijziger bruin.
Verwarringssoorten
De nijlgans (Alopochen aegyptiaca) heeft hetzelfde witte vleugelvlak, maar is grijsbruin met een kastanjebruine oogvlek en roze snavel en poten. Verwilderde of ontsnapte halfganzen uit vijvercollecties, zoals de Kaapse casarca uit zuidelijk Afrika, kunnen voor verwarring zorgen; die heeft bij het mannetje een grijze kop.
Leefgebied
Zoutmeren, chotts, rivierbeddingen, stuwmeren en bergmeren in open, droog en vaak kaal landschap, tot hoog in het gebergte. Graast op oevers, akkers en steppe. Nestelt in rotsspleten, holen in steile oevers en muren, boomholten of oude gebouwen, soms ver van het water.
Waar de vogel het meest zit, ingedeeld naar de leefgebieden van Noord-Afrika en het Midden-Oosten.
Verspreiding en trek
In Marokko standvogel in de Midden- en Hoge Atlas, op de oostelijke hoogvlakten en bij de stuwmeren ten zuiden van de Atlas, zoals El Mansour Eddahbi bij Ouarzazate, waar na de broedtijd groepen van honderden vogels verzamelen; in Algerije op de hoogvlakten en bij de chotts; in Tunesië schaars. In het Midden-Oosten vooral wintergast in Irak, Syrië, Israël en Jordanië, schaars aan de Perzische Golf en elders op het Arabisch Schiereiland, en zeldzaam in Egypte. Daarbuiten van Turkije en Zuidoost-Europa oostwaarts door de Centraal-Aziatische steppen tot Mongolië en China, met een geïsoleerde populatie in de hooglanden van Ethiopië.
- Jaarrond
- Zomergast (ca. apr–sep)
- Wintergast (ca. okt–mrt)
- Doortrek (mrt–apr, okt–nov)
- donker = kerngebied, licht = dun verspreid
Hoe en wanneer kijken
Rij in de herfst langs de stuwmeren bij Ouarzazate of de meertjes rond Ifrane in de Midden-Atlas. De vogels zijn eerder te horen dan te zien: het toeterende geroep draagt kilometers ver over open land.
Staat van instandhouding
Niet bedreigd en in grote delen van het areaal stabiel of toenemend. In Noord-Afrika is de populatie kleiner dan vroeger door het droogvallen van wetlands, maar profiteert hij plaatselijk van nieuwe stuwmeren. Gevoelig voor jacht en verstoring van broedplaatsen.
Wetenschappelijke naam
Tadorna ferruginea | (Pallas, 1764)
Pallas beschreef de soort in 1764 als Anas ferruginea; omdat ze later in een ander geslacht is geplaatst, staan auteur en jaartal tussen haakjes. Het geslacht Tadorna werd in 1822 ingevoerd door Boie. Tadorna komt via het Franse tadorne van een oudere, waarschijnlijk Keltische naam voor een bonte watervogel. ferruginea is Latijn voor 'roestkleurig', van ferrugo 'ijzerroest', naar het oranjebruine verenkleed. Het eerst beschreven exemplaar kwam uit Centraal-Azië.


